Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
94
kakelen, gac'kern;
ifig.) schnat'tern.
kaken, (haring), ein"sar-
zen (He"rin'ge).
kalf, das Kalb, 3*.
kaifsvleesch, das Kalb'-
fieisch.
kalk, der Kalk.
kalkoen, der Trut'hahn,
1*.
kam, der Kamm, 1*.
kameel, das Kamel', 1.
kamenier, die Kam"mer-
jung'fer, 5; dieKam"-
merfrau', 5; die Zo'fe,
5.
kamer, das Zim'mer, 2;
(vergaderzaal, vergade-
ring :) die Kam'mer, 5.
kameraad, derKa'merad",
5.
kamerheer, der Kam"mer-
herr', 5.
kammen, kiim'men.
het kamp, das La'ger, 2.
kampen, kämp'fen.
kan, die Kan'ne, 5.
kanaal, der Kanal', 1*.
Aanajie,der K ana"rien vo'-
gel 2*.
kandelaar, der Leuch'-
ter, 2.
kaneel, der Zim'met.
kans, (kwade:) die Gefahr",
(goede:) das Glück.
kansspel, das Hasard'-
spiel, 1.
kant, (rand:) die Kan'te,
5, der. Rand, 2*; (fijn
gaas:)' die Kan'te.
kantoor, das Büreau',
(mrv.:) -s; (koopmans-
kantoor:) das Kontor',
1.
kantoorbediende, der Gom-
mis', 2.
kapel, (kerk:) die Kapel'-
e, 5; (vlinder:) der
Schmet'terling, 1.
tepeZaan, der Kaplan', 1*.
kaper, (op zee:) der Ka'per,
2 ; (kleedingstuk:) die
Kap'pe, 5.
kapitaal, das Kapital',
(mrv.: -ta'lien).
kapitein, der Kapitän', 1.
kapot, kaputt'.
kapper, der Friseur', 1,
der Haar'schei'der, 2;
(eetwaar:) die Ka'per,
5.
kar, (Ier Kar'ren, 2.
karakter, der Charak'ter.
(mrv.: Charakte're).
karbonade, die Karbon-
na'de, 5.
kardinaal, der Kardinal',
1*.
karig, karg.
karnen, ker'nen.