Boekgegevens
Titel: Driemaal den aardbol om!: aardrijkskunde voor de volksschool in drie ineensluitende leerkringen
Auteur: Bruins, F.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1882
9e, herz. dr
Opmerking: II
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2491
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200397
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Driemaal den aardbol om!: aardrijkskunde voor de volksschool in drie ineensluitende leerkringen
Vorige scan Volgende scanScanned page
-59
gewone vruchtbaarheid en eenen voorbeeldeloos weelde-
rigen plantengroei. Groote rivieren zijn alleen op Bórneo
(de Baritoe, Kapoeas en Koetei), op Sumatra (de Moesie
of Palémbang, Djambi, Indragiri, Kampar en Siak) en op
Java (de Solo en de Kediri). Vooral op Bórneo en Su-
matra zijn deze rivieren de eenige wegen, waarlangs het
mogelijk is in de binnenlanden door te dringen.
't Is dan ook zeer opmerkenswaardig, dat de Maleiers, die
steeds uit zee de rivieren opvoeren, de onderscheidingen van
linker- en rechteroever juist andersom toepassen dan wij gewoon
zijn. Ontelbaar is overigens, zoowel op de groote als op de kleine
eilanden, het aantal kustrivieren, die in den regentijd met woeste
onstuimigheid en onwederstaanbaar geweld het overvloedige water
van de bergen doen nederbruisen {bandjirs = overstroomingen),
doch wier beddingen in het droge seizoen zich als diepe, water-
looze barsten en scheuren in de bergen vertoonen.
§ 3. Klimaat. Men kent in den O.-I. Archipel maar
twee jaargetijden: den goeden (drogen) en den kwaden
(natten) moeson; in den eersten waaien meestal oosten-,
in den laatsten doorgaans westenwinden. De tijd van
overgang tusschen beide heet de kentering (= omkeering)
en is gekenmerkt door veranderlijke winden en zware
onweders. Vreeselijke orkanen (taifoens = groote wiDdem heer-
schen dan in de Chineesche Zee. De nabijheid der zee
en de dagelijksche afwisseling van land- en zeewinden ma-
tigen de hitte, die niet zoo groot is als in andere landen
onder de linie.
Over 't algemeen heerscht ten Z. der linie de oost- (droge-)
nioeson van April tot October, en de west- (natte) moeson van
November tot Maart. Ten N der linie juist andersom.
De kentering wordt door hooge bergketens, die min of meer in
de richting van de meridianen loopen (b. v. op Sumdtra en het
schiereil. van Makassar) zeer belemmerd, zoodat men soms eenen