Boekgegevens
Titel: Driemaal den aardbol om!: aardrijkskunde voor de volksschool in drie ineensluitende leerkringen
Auteur: Bruins, F.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1882
9e, herz. dr
Opmerking: II
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2491
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200397
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Driemaal den aardbol om!: aardrijkskunde voor de volksschool in drie ineensluitende leerkringen
Vorige scan Volgende scanScanned page
34
De zomerwarmte is van Milaan tot Messina bijna gelijk
(gem, 22" tot 24" C.); doch in den winter teekent de
thermometer van C. te Milaan gem. 2° en te Messina
gem. 13®. De hoeveelheid regen vermindert van de Alpen
tot Palermo van 127 cM. tot 50 cM. in het jaar. In
't N. zijn zomer en herfst, in 't midden lente en herfst,
in 't Z. de winter het regenseizoen. Beneden-Italië wordt
's zomers dikwijls geplaagd door den Sirocco, een dro-
gen, heeten wind, misschien uit de zandwoestijnen van
Afrika afkomstig. De Bora is een stormachtige, koude
NO.-wind. Vele moerassige kuststreken lijden aan de
koortsverwekkende malaria (= slechte lucht).
§ 4. Bevolking. In 't voorkomen gelijkt de Italiaan
den Spanjaard, maar hij is levendiger en vroolijker. De
volksontwikkeling is nog zeer gebrekkig. Zin en aanleg
voor sclioone kunsten zijn nochtans algemeen onder het
volk verspreid. Dit, gepaard met vele overblijfselen
van kunstgewrochten uit de oudheid,' maakt Italië tot
het »beloofde land der beeldhouwers, schilders en toon-
kunstenaars."
§ 5. Landbouw en Bedrijf. In de Povlakte en in Campanië staat de land-
bouw op hoogen trap; in de eerste heeft men soms twee, in het laatste zelfs
drie oogsten in éen jaar. In de Povlakte zijn de akkers omringd met moer-
beiboomen of met olmboomen, door wijnranken omstrengeld. In de laagste,
waterrijkste streken wordt rijst verbouwd; de Lomellina, eene vlakte tusschen
Vercelli en Novara, munt bovenal in den rijstbouw uit. Sedert den grooten
„katoennood" van 1861 en verv, bedekt de katoenstruik weder uitgestrekte
velden in Campanië, op Sicilië en Sardinië. Sicilië kweekt bovendien suiker-
riet. Wijnbouw en olijventeelt zijn door 't geheele land verspreid. De zijde-
teelt is insgelijks algemeen; de zijdefabrieken zijn de Toornaamste tak der Ita-
liaansche nijverheid. Milaan is het „Italiaansche Lyon." Eene eigenaardige
nijverheid is het stroovlechten in Toscane.
In de bergachtige en ook in de moerassige streken bloeit de veeteelt (rund-
vee, muilezels, ezels, geitenI). Marmergroeven van Massa en Carrara. Zwavel
vooral op Sicilië bij Girgenti (uitvoerhaven Porto Empedocle). Italië alleen
brengt meer zwavel in den handel dan alle andere landen te zamen 1