Boekgegevens
Titel: Driemaal den aardbol om!: aardrijkskunde voor de volksschool in drie ineensluitende leerkringen
Auteur: Bruins, F.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1882
9e, herz. dr
Opmerking: II
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2491
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200397
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Driemaal den aardbol om!: aardrijkskunde voor de volksschool in drie ineensluitende leerkringen
Vorige scan Volgende scanScanned page
20
§ 2. Schets van het land. De westkust verheft zich,
als een duizendvoudig verbrokkelde muur, steil uit de
zee. Ontelbare kleine rotseilanden omzoomen haar. De
grootste dezer eilanden zijn vereenigd tot de groep der
Lofodden. Smalle spleten met loodrechte, soms overhan-
gende wanden dringen diep in het anders ongeuaakbare
land door, maar tallooze riffen en rotsblokken maken de
invaart dezer fjorde zeer moeilijk. Diezelfde hinderpalen
breken echter ook de kracht van stormen en baren,
zoodat de fjorde voortreffelijke havens zijn. Op de onge-
veer 1000 M. hooge rotsvlakten aan de westkust verheft
zich in 't ZW. het eigenaardige hoogland der Skandina-
vische Alpen. Het bestaat uit onherbergzame, rotsige
hoogvlakten, fjelde (= rotsen) genaamd. Daarboven steken
afzonderlijke kale toppen uit, zooals de Sneehattan
(= de sneeuwhoed; 2300 M.), waarop reeds ter hoogte van
1600 M. de sneeuw niet meer smelt. Deze rotsige hoog-
velden loopen door 't geheele schiereiland tot hoog in 't
noorden. Ten N. van de Drontheim-tjord worden zij smal-
ler, en dragen den naam van Kjölen (= scheepskiel).
Naar het 0. loopt de Kjölen trapsgewijze af naar de
Botnische Golf. Deze alsmede de Oostzee is omzoomd
door eene van 12 tot 20 uren gaans breede vlakte. De
ondergrond is ook hier doode rots. Aan de dunne laag
teelaarde ontwoekert de vlijt van den landman in de
zuidelijke streken een ruimen oogst.
Alle groote wateren van Skandinavië stroomen van
de oostelijke afhelliing der Kjölen, bijv.: de Tornea-elv
(= rivier), Umea-Elv, Argerman-Elv, Dal-Elv. De Klara-
Elv stroomt in het Wener-meer de Glommen in 't Ska-
gerrak.
Al deze rivieren ontspringen in de onherbergzame rotsenwildernis,