Boekgegevens
Titel: Driemaal den aardbol om!: aardrijkskunde voor de volksschool in drie ineensluitende leerkringen
Auteur: Bruins, F.
Uitgave: Groningen: Noordhoff & Smit, 1882
9e, herz. dr
Opmerking: II
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2491
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200397
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Driemaal den aardbol om!: aardrijkskunde voor de volksschool in drie ineensluitende leerkringen
Vorige scan Volgende scanScanned page
18
van Kolding; ook het eiland Arröe, vroeger tot Sleeswijk behoorende, kwam
aan Denemarken; Alsen en Femern kwamen aan Daitschland.
§ 2. ScMs van het land. Het bekken der Oostzee
wordt van kaap Skagen tot aan het Peipusmeer (in Rus-
land) omringd door eenen landrug van ongelijke breedte,
bezaaid met ontelbare meren. Onder den naam van
Noordrussische oewalli (= heuvelland) loopt deze landrug
van het Peipusmeer oostwaarts tot het Oeralgebergte op
61" N. Br. In zijn geheel heet deze gordel van heuvels
en meren de Oeral-Baltische landrug. In Jutland vindt
men aan zijne oostzijde meest goeden bouwgrond; de
landrug zelf en zijne westelijke glooiing is dor zand met
heide begroeid, afgewisseld met hooge venen. Aan de
westkust ontmoet men stuifzand en duinvorming; ten
Z. van Blaavandshuk beginnen de Wadden. Langs de
geheele westkust (jemkysten, spreek uit: jernkusten, d. i. ijzeren ot
ongenaakbare kust) is de zee zeer Ondiep en vindt men geen
enkele haven, in tegenstelling met de oostkust en de
noordkust der eilanden, waar de zee diepe insnijdingen
{fjorden) maakt. (Welke?)
Jutland en de eilanden rusten op eene grondlaag van krijt en
kalk, welke op enkele punten voor den dag komt. Zooals ge-
woonlijk "gaat deze krijtlaag van bruinkoollagen vergezeld, bijv.
op het eiland Mors. Er zijn alleen kustrivieren. ^(Guden-Aa,
Konge-Aa.)
§ 3. Klimaat. Geheel Denemarken heeft een zeekli-
m^t, zonder groote hitte of koude; tengevolge der heerschen-
de westenwinden is het weder onbestendig en vochtig
(gemiddeld 105 regen- en 32 sneeuwdagen in't jaar). De westkust
van Jutland is in 't bijzonder blootgesteld aan veelvuldige, hevige
stormen.
§ 4. Bevolking. De Denen zijn van noordgermaan-
schen stam; zij spreken de Deensche taal, zijn zeer