Boekgegevens
Titel: De uitspraak van het Engelsch met leesoefeningen: benevens vertaaloefeningen, behoorende bij "De hoofdzaken der Engelsche grammatica"
Auteur: Bruggencate, K. ten
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1896
4e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2421
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200387
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Engels, Uitspraak (taalkunde), Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De uitspraak van het Engelsch met leesoefeningen: benevens vertaaloefeningen, behoorende bij "De hoofdzaken der Engelsche grammatica"
Vorige scan Volgende scanScanned page
80
den Dooper voor haar dansen. 5. De vee-tentoonstelling van
dit jaar is niet zoo mooi als (die van) verleden jaar (gen.);
ik hoop, dat (die van) aanstaande jaar (gen.) de mooiste zal
wezen. 6. De vaders van vele kinderen kwamen, om hunne
lievelingen van school te halen; het onweder was zeer hevig,
en de regen viel neer in stroomen. 7. Kinderstemmen heb ik
altijd gaarne gehoord; laat ons een oogenblik luisteren aan
de deur der kerk (gen.). 8. De regeering van Willem en Marie
valt aan het einde der zeventiende en het begin der achttiende
eeuw; tusschen de regeering van Elizabeth en van Anne is
ongeveer een tijd van honderd jaren. 9. Het paard van Jan,
Piet en Willem (gen.) heeft een harde taak; ieder van hen
behandelt het, alsof het aan hem alléén toebehoorde, maar
leder van hen laat aan de anderen over, het te voeren; op
deze manier zal het arme beest weldra dood zijn.
verdienen to earn; deel volume; dozijn dozen (o = v); aftrekken to
suhtrdict; optellen to add; deelen to divide; pond pound; berekenen to
calculate; natuurlijk of course; Johannes de D. St. John the Baptist;
dansen dancing; hopen to hope; lieveling darling; onweder thunder-
storm; regen rain; viel fell, stroom torrent; gaarne hooren to like
to hear; regeering reign; Marie Mary; vallen ïo/a//; tusschen 6e^u'een;
taak task; ieder each; behandelen to treat; toebehooren to belong; over-
laten to leave; voeren to fodder; op in; muniermanner; dood (adj.)deac?.
18.
(Voornw. § 6; Werkw. § 4. 1).
1. Beide mannen sloegen het ijzer zoo hard, dat de vonken
vlogen door de smidse; alle kinderen, die uit school naar huis
gingen, bleven staan en keken, hoe de een den ander in zijn
arbeid bidstond. 2. Wij wandelden met onzen gids door de voor-
naamste straten der stad; hij toonde ons de merkwaardige gebou-
wen en de ouderwetsche huizen, zoodat er weinig was, dat wij