Boekgegevens
Titel: De uitspraak van het Engelsch met leesoefeningen: benevens vertaaloefeningen, behoorende bij "De hoofdzaken der Engelsche grammatica"
Auteur: Bruggencate, K. ten
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1896
4e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2421
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200387
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Engels, Uitspraak (taalkunde), Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De uitspraak van het Engelsch met leesoefeningen: benevens vertaaloefeningen, behoorende bij "De hoofdzaken der Engelsche grammatica"
Vorige scan Volgende scanScanned page
ïl buren in de hoofdstad van Frankrijk ontmoet; wist gij, dat
È^i, zij den zomer in Nassau hadden doorgebracht? 5. Ik voelde
i li iets op mijn rug en mijne twee armen, en toen ik keek^
f 3 bemerkte ik, dat vele mieren, die misschien door mij ge-
'; stoord waren in haren arbeid, zich gewroken hadden.
slagveld battle-field, field of battle; nederlaag defe&t; volkomen com-
plete; aan of; bevrijding deliverance; jong young; prins prince; troepen
troops; ter, of ten to; overwinning victory; wanhopen to despair; leger
army; bestaan uit to consist of; ooit ever; hardnekkige worsteling obstm-
ate struggle; verslaan to defeat; na after; intocht entry; hoofdstad
capital; lucht sky; gebed prayer; hemel heaven; roem glory; dood(e)
death; leven (subst.) life; buur neighbour; rug back; mier ant; storen
to disturb; wreken to revenge.
16.
(Lidw. § 2. A; Subst. § 2).
1. üeze geschiedenis is zeer belangwekkend; ik heb haar
gehoord van een man, die de waarheid bemint en het liegen
haat; daarom kan ik haar gelooven. 2. Jongens en meisjes
zongen (pr. vorm) te zamen; de muziek van de lijfwacht speelde
(pr. form); meiden en knechts luisterden naar de opwekkende
melodieën der vaderlandsche liederen. 3. Onze mannetjeskanarie
zingt mooi; eiken morgen weerklinkt zijn gekweel door de
kamer. 4. Deze vorst was de beschermer van de wetenschap;
hij noodigde de geleerde mannen van andere landen naar zijn
hof; het nageslacht is dankbaar voor wat hij voor zijn land
heeft gedaan. 5. Het leven is eene ernstige zaak, maar het
leven van onzen buurman, die eiken dag öfin zijn rijtuig
zit, of te paard rijdt, is noch ') nuttig noch belangwekkend.
1) öf — öf (nevensch.) = either — or; of — of (onderschikkend) =
ivhether — or. Noch — noch = neither — nor.