Boekgegevens
Titel: De uitspraak van het Engelsch met leesoefeningen: benevens vertaaloefeningen, behoorende bij "De hoofdzaken der Engelsche grammatica"
Auteur: Bruggencate, K. ten
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1896
4e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2421
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200387
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Engels, Uitspraak (taalkunde), Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De uitspraak van het Engelsch met leesoefeningen: benevens vertaaloefeningen, behoorende bij "De hoofdzaken der Engelsche grammatica"
Vorige scan Volgende scanScanned page
76
betalen zal? Neen, mijn jongen, ik heb eene groote familie
te onderhouden, en gij onderhoudt niemand dan uzelf en uwe
vogels. 10. Jongen, gij moogt honderdmaal verzekeren, dat
gij het niet gedaan hebt, ik geloof u niet. 11. Het is de plicht
van elk mensch, zelfs zijne vijanden lief te hebben. 12. Gaat
gij nu, of moet ik u dwingen, het huis te verlaten? 13. Hij
doet, wat gij behoordet te doen. 14. Luister naar mij; doet
gij dat? 15. Toe, volg mijn raad, en gij zult gelukkig zijn.
stuk piece; lood lead (ea = e); dragen to carry; begrijpen to under-
stand; beetnemen tofool; papier poper; zonderling strange; (negen) uur
{nine) o'clock; rekening account; optellen to count up; samen, te zamen
together; genoegen pieasMre (ea = a); groot large; {amilie family ; onder-
houden to support, provide for; niemand dan nobody but; me\iyourself;
vogel bird; vijand enemy; l;efhebben to love; dat so; raad advice.
14. (Herhaling).
1. Veel menschen verlieten hun vaderland, om aan de
andere zijde van den oceaan het geluk te vinden, dat zij
hier vergeefs gezocht hadden, maar zij vonden het daar niet.
2. Waarom zette hij de appels en peren niet op de tafel?
Wij wilden voor veertien stuivers koopen, om onze kinderen
te verrassen, maar die jongen heeft het geld dezen morgen
verloren, toen hij naar de muziek luisterde, die langs ons huis
kwam. 3. Hoe is het, hebt gij geslapen? Het schijnt, dat gij
niet weet, wat hier gebeurd is. 4. Als ik u verteld had, dat
uw neef al uw geld verteerd had, hadt gij misschien van al
dat geld gedroomd, en ik wilde u een rüstigen nacht bezor-
gen (= verschaffen). 5. Deedt gij niet, wat uw vader u zeide?
6. Zongen de jongens van de eerste en de derde klasse? Ik
hoorde hen van verre, maar zij deden het niet, om u te
hinderen; zij waren vroolijk, omdat zij morgen naar Amsterdam
gaan; zij dachten, dat het u niet zou hinderen. 7. Hebt gij