Boekgegevens
Titel: De uitspraak van het Engelsch met leesoefeningen: benevens vertaaloefeningen, behoorende bij "De hoofdzaken der Engelsche grammatica"
Auteur: Bruggencate, K. ten
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1896
4e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2421
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200387
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Engels, Uitspraak (taalkunde), Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De uitspraak van het Engelsch met leesoefeningen: benevens vertaaloefeningen, behoorende bij "De hoofdzaken der Engelsche grammatica"
Vorige scan Volgende scanScanned page
75
verkiest. 9. Gij zoudt hem niet hebben kunnen verstaan; zijne
uitspraak was zeer onduidelijk. 10. Gij mocht gisteren niet
uitgaan, omdat gij niet hebt willen doen, wat uw vader u ge-
zegd had. 11. Zoudt gij wenschen, dat hij (de) zaken zoo achte-
loos behandelde? Neen, zeide ik, hij behoort zijn plicht beter
te kennen; anders wil ik zijn vriend niet zijn. 12. Gij behoordet
het niet te hebben betaald, gij moogt zeggen, wat gij wilt.
13. Zal ik het kunnen doen? Dat kan ik u niet zeggen, maar
gij zult het geëindigd moeten hebben, vóór hij terugkomt.
worden to become; donker dark; anders otherwise; verziiimen to om\l;
stelen to steal; gebod commandment; hulp help, assistance; hulpeloos
helpless; gekomen come; dwingen to compel; verstaan to understand;
uitspraak pronunciation; (on)duidelijk {in)dist\)ict; gisteren yesterday;
plicht duty; eindigen to finish; terugkomen to come back.
13.
(Werkw. pag. 41. N.B.)
1. Gij doet uw plicht, maar zij deden hun werk niet.
2. Zaagt gij den man, die geheel alléén dit stuk [van] lood
van (de) eene plaats naar de andere draagt? 3. Gaat gij
morgen ochtend met ons naar (de) kerk ? 4. Hij doet wat hij
moet doen, om op (= in) tijd gereed te zijn. 5. Ik geloofde
niet en ik geloof niet al, wat hij u verteld heeft; begrijpt gij
niet, dat hij u wenscht beet te nemen? Ik zie bepaald, dat
gij het papier in de (= uwe) hand hebt; toe, geef het mij,
dan zal ik u vertellen, wie dit alles (= al dit) van u gezegd
heeft. 7. Hebt gij hem dezen morgen niet gezien? Dat is
zonderling; hij was hier om negen uur, en hij ging niet weg,
vóór hij alle rekeningen met mij had opgeteld. 8. Zullen wij
samen naar den schouwburg gaan? Met veel genoegen, als
gij voor mij betalen wilt, Pa. 9. Wenscht gij, dat ik voor ii