Boekgegevens
Titel: De uitspraak van het Engelsch met leesoefeningen: benevens vertaaloefeningen, behoorende bij "De hoofdzaken der Engelsche grammatica"
Auteur: Bruggencate, K. ten
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1896
4e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2421
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200387
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Engels, Uitspraak (taalkunde), Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De uitspraak van het Engelsch met leesoefeningen: benevens vertaaloefeningen, behoorende bij "De hoofdzaken der Engelsche grammatica"
Vorige scan Volgende scanScanned page
74
in onzen slaap. 7. Waarom hebt gij geschreid? 8. Hij zag
niet slechts zijn broeder, maar ook zijne zuster en zijne tante
in den schouwburg. 9. Ik leer de Engelsche en de Fransche
taal; deze onderwijzer leerde mij Latijn, maar ik vond (= dacht)
het zeer moeilijk. 10. Deze club heeft een secretaris en een
penningmeester; de secretaris-penningmeester van die club heeft
te veel te doen, omdat hij geheel alléén is.
eerst at first; alsof as if; kra.c\\t strength; weg away; hoog high; heg
hedge; mag may; deugdzaam virtuous; Grieksch Greek; klasse class;
paard horse; nadat after; maar bul; niemand nobody; schuik rogue;
schoorsteen(veger) chimney{sweeper); gat hole; ontdekken to discover;
stroo straw; misschien perhaps; verbrand burnt of burned; slaap sleep;
waarom why; zag saw; taal language; I-atijn Latin; omdat because
geheel quite; alléén alone.
12 ')•
(Werkw. § 3. B. d).
1. Wij moeten het doen vóór het donker wordt, anders
zullen wij geen tijd hebben, en wij willen vandaag niet ver-
zuimen, naar onzen vriend te gaan. 2. Gij zult niet stelen,
lezen wij in de tien geboden. 3. Al wat ik kon doen was,
hem onze hulp aan te bieden, toen hij hulpeloos en ongelukkig
was. 4. Ik kon het gedaan hebben (ik had het kunnen doen),
indien hij hier gekomen ware, om mij te zeggen, wat hem zoo
ongelukkig maakte. 5. Gij moogt hier rooken. 6. Wat, zeide
ik, wilt gij mij dwingen, met u te gaan ? Ja, zeide hij, gij
moet, en als gij niet wilt, zal ik u dwingen. 7. Lessing zegt:
geen mensch moet (behoort te) moeten. 8. Hij zal u willen
volgen, als gij hem zult veroorloofd hebben te doen, wat hij
1) De leerling gebruike, naast de eenvoudige, ook de omschrijvende
vormen.