Boekgegevens
Titel: De uitspraak van het Engelsch met leesoefeningen: benevens vertaaloefeningen, behoorende bij "De hoofdzaken der Engelsche grammatica"
Auteur: Bruggencate, K. ten
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1896
4e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2421
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200387
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Engels, Uitspraak (taalkunde), Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De uitspraak van het Engelsch met leesoefeningen: benevens vertaaloefeningen, behoorende bij "De hoofdzaken der Engelsche grammatica"
Vorige scan Volgende scanScanned page
G3
aanwijzingen voor den leerling.
1. De cursieve woorden of stammen zijn in het Engelsch
en het Nederlandsch gelijk.
2. De tusschen ronde haakjes geplaatste woorden niei ver-
talen.
3. De tusschen vierkante haakjes geplaatste woorden wèl
vertalen.
4. Voor de eerste dertig thema's raadplege de leerling alléén
het groot gedrukte gedeelte der grammatica; voor de daarna
volgende thema's zoowel het groot als het klein gedrukte.
1 ')■
(Gr: Werkw. §§ 1 en 2; Voornaamw. § .5.)
1. Wij hebben deze pennen en die boeken. 2. Hij zal ge-
lukkig zijn, en gij zult het geld ontvangen. 3. Waar waart
gij? 4. Wij waren in den tuin geweest, en zij hadden de
boeken gehad. 5. Gij hebt geduld, en hij heeft den tijd.
6. Napoleon en Wellington waren groote veldheeren; de eerste
was een Franschman, de laatste een Engelschman. 7. Wij zou-
den gelukkig zijn, indien wij geduld hadden. 8. Dit zijn mijne
vrienden, en dat waren onze boeken. 9. Gij hadt wat ik heb,
en ik heb gehad wat gij hebt. 10. Hij zal tevreden zijn, als
wij geduld zullen hebben. 11. Hij zou gelukkig geweest zijn,
1) De leerling gebiuike vooi'loopig zoowel den '2en pers. Sing, als Plnr.
bij de vervoeging der werkwoorden. In de vertaling plaatse liij ile objecten
na het werkwoord, en in den regel het bijwoord na het object (Zie Gramtn.
Adverb. § 3, 1 en 2).