Boekgegevens
Titel: De uitspraak van het Engelsch met leesoefeningen: benevens vertaaloefeningen, behoorende bij "De hoofdzaken der Engelsche grammatica"
Auteur: Bruggencate, K. ten
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1896
4e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2421
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200387
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Engels, Uitspraak (taalkunde), Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De uitspraak van het Engelsch met leesoefeningen: benevens vertaaloefeningen, behoorende bij "De hoofdzaken der Engelsche grammatica"
Vorige scan Volgende scanScanned page
101
gehandeld hebben; zij hebben de negers, die hunne minderen
waren in beschaving, verkocht als honden en katten. 5. Onze
schoonvaders zijn volle neven, beste vriend, en hunne meiden
en knechts komen allen uit mijne geboorteplaats. 6. Neem
twee schoppen vol krullen en eenige stukken turf, jongeheeren
Brown, dan zal de kachel spoedig helder branden.
hengelstok angliny-rod, fishing-rod; doen to matter; 'prettig jolUj;
nog {n)ever; overgeven to surrender; ontzetten to relieve; krullen shav-
ings; turf peat.
39. (Werkw. § 3. B. d. tot p. 34. b.}.
1. De Heer heeft het gewild; Zijn heilige wil worde gedaan,
riep de vader uit, die in eene week van het dierbaarste, dat
hij bezat, beroofd werd; zijn hart bloedde, maar zijne berusting
was die van een waarachtig godsdienstig mensch. 2. Wij moesten
alle dagen acht uur ■) marcheeren, en als sommigen van ons
begonnen te brommen over zulke harde dagen, zeide onze
kapitein op [een] verontwaardigden toon: Begrijpt gij niet,
dat gij desnoods uw leven behoort op te offeren voor het
welzijn van uw vaderland? 3. Gij zult doen, wat ik u be-
volen heb; ik geloof niet, dat gij niet kunt; als gij wilt,
kunt gij al dat werk maken, maar als gij koppig zijt, zult
gij niet klaar komen, en in dat geval zult gij streng gestraft
worden. Nu weet gij mijn wil; oordeel zelf, of gij dien doen
kunt en wilt. 4. Zult gij hem zeggen, dat hij om vier uur
naar zijne tante mag gaan? 5. Als gij niet kunt doen, wat
gij wilt, moet gij willen doen, wat gij kunt. 6. Hij kon het
gedaan hebben, als hij tijdig begonnen was; nu is het te
laat, en ik vrees, dat hij niet alles zal doen, wat zijn
1) uur is öf o'clock (tijdpunt), öf hoiir (tijdmaat; als nuiat krijgt dit
woord het teeken van het meervoud).
2) tijdig = in time; tijdelijk = temporurg.