Boekgegevens
Titel: Meetkundig rekenboek: overeenkomstig de behoeften van onzen tijd; voor scholen en ter bevordering der nijverheid
Auteur: Brug, Steffen Lambert
Uitgave: Gorinchem: J. Noorduyn en zoon, 1864
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2396
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200381
Onderwerp: Wiskunde: meetkunde: algemeen
Trefwoord: Meetkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Meetkundig rekenboek: overeenkomstig de behoeften van onzen tijd; voor scholen en ter bevordering der nijverheid
Vorige scan Volgende scanScanned page
44
3. Hoe ver vaa het hoekpunt van den regten hoek zou
die sloot dan eindigen?
4. Een ladder van 20 voet lang, staat van onderen
12 voet van eenen muur, en reikt met het boveneinde zoo
hoog als de muur, Hoe ver moet men daarop klimmen,
om 14 voet hoog te komen , en hoe ver is men dan van
den muur verwijderd?
5. Een muur is 24 voet hoog, en de daartegen staande,
juist tot boven reikende ladder, staat onder 18 voet van
den muur. Hoe lang is die ladder? Hoe hoog staat men,
wanneer men 20 voet ver er op klimt?
6. Van een stuk land in den vorm van eenen regthoe-
kigen driehoek is de hypothenusa 35 en de opstaande zijde
of cathetus 28 roede. Men graaft op 7 roede afstand van
den regten hoek een' sloot, evenwijdig met de opstaande
zijde. Hoe lang is die sloot?
7. Van eenen driehoek zijn de zijden 75 , 70 en 65
duim. Men trekt daarin eene lijn van 60 duim, evenwij-
dig met de langste zijde. In w^elke deelen verdeelt die
lijn de twee andere zijden?
6. Iemand is 1,5 el groot, staat 100 el van den voet
eens torens, en ziet den top daarvan over de punt van
een paal van 5 el hoog, welke 2 el van hem verwijderd
is. Hoe hoog is die toren?
9. Een ander ziet den top van een* mast over de pun-
ten van twee stokken, die 4 palm van elkander staan,
5 en 12 palm lang zijn, en waarvan de grootste 25 el
van den voet der mast staat. Hoe hoog is die mast?
10. In een land, van gedaante als een regthoekige drie-
hoek, waarvan de baf^is 27 en de opstaande zijde 36 roede
lang is, heeft men een sloot gegraven van 15 roede lang,
evenwijdig loopende met de schuinsche zijde; hoe ver van
het hoekpunt des regten hoeks komt die sloot in de basis?