Boekgegevens
Titel: De natuur: aanvankelijk leesboek voor de lagere school
Auteur: Brug, Steffen Lambert
Uitgave: Harlingen: S. Houtsma, 1861
7e dr; 1e dr.: 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2393
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200378
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De natuur: aanvankelijk leesboek voor de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
27
25.
De windstreken.
De rigting om ons heen, Onderscheidt men in
vier hoofdstreken: oost, west, zuid en noord.
Als in de lente en in den herfst de dagen en
nachten even lang zijn, dan komt de zon ia het
oosten op, en gaat in het westen onder, 'sMid-
dags te 12 ure is zij altijd in het zuiden, en regt
daar tegen over is het noorden. Hieraan kan
men dus die streken onderscheiden, als men de
zon ziet. Ook aan de poolster kan men 's nachts
7/W ^
weten, waar het noorden is. Co overige zijn er
regt tegen over of juist tuooohcn in^ -y •
Wanneer de zon en sterren niet zigtbaar zijn, ^
dan bezigt men een kompas. Daarop zit eene
magneetnaald. Deze wijst altijd bijna het noor-
den aan. Had men dit niet, hoe zou men dan
op de groote zeeën den weg vinden ?
Eer het kompas uitgevonden was, durfde men
slechts langs de kust varen. Nu kan men zoo
ver van daar zeilen, als men verkiest.
36.
Warmte.
Niet alleen door het zonlicht ontwikkelt zich