Boekgegevens
Titel: De natuur: aanvankelijk leesboek voor de lagere school
Auteur: Brug, Steffen Lambert
Uitgave: Harlingen: S. Houtsma, 1861
7e dr; 1e dr.: 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2393
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200378
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De natuur: aanvankelijk leesboek voor de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
21
ken die fijne deeUjes aan elliander tot sneeuw-
vloliken.
Bevriezen de dampen later, als zij op boomen,
planten, enz. nedervallen, dan heet het rijm.
Bevrozen regendruppels heeten hagelsteenen. De-
ze kunnen soms zeer groot zijn. Hoe dat komt,
dit weet men nog niet volkomen.
De winter is ook vol pracht. Hoe schoon zijn
de bloemen, die er dan op de vensterglazen vrie-
zen! De sneeuw bestaat uit schoone zeshoekige
sterretjes, van verschillende sierlijke gedaanten.
Rym en ijs bestaan uit schitterende zoogenaamde
kristallen. Wij zien daarin Gods grftotheid.
28.
De sneeuw bewaart den grond en de planten
voor al te strenge koude. Zij maakt tevens de
aarde vruchtbaar.
Men kan met sleden over de sneeow rijden.
Dat gaat veel spoediger en gemakkelijker, dan
langs gewone wegen. Hier heeft men paarden er
voor; maar in sommige landen rendieren; — die
kunnen nog veel sneller loopen.
Op zeer hooge bergen ziet men altijd sneeuw
liggen, zelfs in de warme luchtstreek: want hoe
höoger men komt, hoe kouder het wordt. Die