Boekgegevens
Titel: Het schriftelijk rekenen in verband met het mondeling rekenonderwijs in de lagere school
Deel: Eerste stukje getallen van 1-10, tientallen van 10-100
Auteur: Bruin, D. de
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1892
2e, verb. dr; 1e dr.: 1888
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2342
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200364
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het schriftelijk rekenen in verband met het mondeling rekenonderwijs in de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
V O O H U E K I C H T. V
kunnen zijn. Daarna leeren de leerlingen het cijfer 5 kennen, dat
onder de plaat staat. Zij moeten nu de oefeningen hieronder lezen,
eerst met een naam van eenheden, die de onderwyzer noemt, by het
cijfer, later zonder dien naam, en daarby invullen, wat achter het
teeken = moet staan. Eindelyk schreven zij de oefening, natuurlijk
ingevuld, op de lei. Aan deze oefeningen worde nog de volgende
verbonden: de onderwijzer geve den leerlingen op, verschillende figuren
te maken met 5 stippen. Deze oefening vinden zy zeer prettig,
vooral omdat dikwijls fraaie figuren voor den dag komen. De figuur
11' is dienstig voor de volgende plaat I Iiv .
De leerlingen hebben nu van de hoeveelheid vijf ^ van de verschil-
lende wijze, waarop zij ontstaan kan en van hare veranderingen tot
eene kleinere hoeveelheid eene duidelyke voorstelling gekregen. Elke
plaat kan aanleiding geven tot herhaling van het geleerde. Nadat
eenige platen behandeld zijn, heeft herhaling van 't geleerde plaats;
de leerlingen aanschouwen de hoeveelheden hierbij niet meer, zij
moeten ze zich nu voorstellen. Als op deze wijze de getallen van
1—10 behandeld zijn, worden als voortzetting dezelfde getallen weer
genomen, maar met dit onderscheid, dat de eenheden, waaruit zij
bestaan, nu gelijk zijn aan de collectieve eenheid 10, m. a. w. na
de behandeling der getallen 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 volgt
die der getallen 10, 20, 30, 40, 50, 60, 70, 80, 90 en 100. Als
platen daarby noodig zijn, kunnen de voorgaande weer gebruikt
worden; dan is eene stip b.v. niet = 1 cent, maar = 1 dubbeltje
of 10 centen.
'k Heb het overbodig geacht in dit boekje „vraagstukken" op te
nemen, omdat de onderwyzer ze voor 't grijpen heeft en de leerlingen
ze niet lezen kunnen.
D. DE BRUIN Jk.
BERICHT BIJ DEN DRUK.
Naar dên wensch van sommige collega's hebben we nu in dit stukje
„Vooroefeningen" opgenomen: rekenoefeningen zonder cijfers. We zyn
daarbij niet verder gegaan dan de hoeveelheid 5 en hebben ons alleen