Boekgegevens
Titel: Het schriftelijk rekenen in verband met het mondeling rekenonderwijs in de lagere school
Deel: Eerste stukje getallen van 1-10, tientallen van 10-100
Auteur: Bruin, D. de
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1892
2e, verb. dr; 1e dr.: 1888
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2342
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200364
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het schriftelijk rekenen in verband met het mondeling rekenonderwijs in de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
IV V O O R B E K 1 C ir T.
de kennis van den leerling te beoordeelen en diens zwakke zyde te
leeren kennen. Ora dat schriftelijk werk mogelyk te maken en ook
nm de leerlingen in de gelegenheid te stellen te beproeven, of zij
zich by het zien van een teeken (cyfer) eene voorstelling kunnen
maken van de zaak (hoeveelheid), door dat teeken aangeduid, ben
ik er voor, hen reeds vroeg, als zij de eerste beginselen van het
schrgfonderwys gehad hebben, met de cyfers bekend te maken en
hen er meê te laten werken, te meer, omdat de meeste eyfers ge-
makkelijk te maken zyn; — men vergelyke b.v. een schuinsch
streepje met het cijfer 1 en een haakje met het cyfer Z. Men werpe
mij niet tegen, dat het gebruik der cgfers, zonder den daarachter
geschreven naam der eenheden, is af te keuren, omdat zij abstracte
getallen aanduiden en het abstracte voor den kleinen leerling te
moeilyk is. Aan het cyfer worde wel een naam verbonden van ver-
schillende soorten van eenheden, waarmee gewerkt wordt; maar de
leerlingen noemen of denken den naam er by, dien zij nog meA. schrijven
kunnen. Zoo werken zij inderdaad met concrete getallen en wordt
de overgang van het concrete tot het abstracte gemakkelyk.
Hoe ik het boekje nu wensch gebruikt te zien ? Tot toelichting
neem ik de hoeveelheid vijf als voorbeeld.
De leerlingen krijgen elk een boekje in handen en zoeken de plaat
!'. op. Zij hebben de voorstelling van I;, zien hieraan nu ééne stip
toegevoegd en aanschouwen de hoeveelheid vijf (stippen). De plaat
geeft aanleiding tot het zien van 4 + 1 = 5,1 + 4= 5,5—1 = 4,
5-4=1, 3 + 2 = 5, 2 + 3 = 5, 5-2 = 3, 5-3 = 2. Als de
leerlingen dit goed gezien hebben, geve de onderwyzer hun eenvou-
dige vraagstukken op, die door middel van de plaat kunnen opgelost
worden, als:
Jan had 4 appels en kreeg er 1 by; hoeveel had hy er toen ?
Jan at er 1 op; hoeveel hield hij er nog over?
Willem had 5 centen. Hij i^ocht voor 2 centen noten; hoeveel
centen had hy toen nog?
Piet had in elke hand 2 centen. Zyn zusje gaf hem er nog 1 cent
bij. Hoeveel centen had hij toen ?
In zulke vraagstukjes wordt alleen gesproken over eenheden, die
de leerlingen kennen, liefst over zulke, die by de les aanwezig