Boekgegevens
Titel: Het schriftelijk rekenen in verband met het mondeling rekenonderwijs in de lagere school
Deel: Derde stukje getallen van 1-1000
Auteur: Bruin, D. de
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1888
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200359
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het schriftelijk rekenen in verband met het mondeling rekenonderwijs in de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
74
Van hoeveel honderden, tienen en eenen kan men ge-
makkelijk het vierde deel nemen? Denk daaraan, als
gij 't volgende uitrekent!
Bereken het vierde deel van:
, 872, 812, 432, 456, 892, 476, 816, 824, 496.
Bereken nu ook eens het vierde deel van:
732, 528, 316, 924, 584, 764, 596, 936, 396.
962 : 2 en 852 : 3 =
952 : 4 en 784 : 2 =
912 : 4 min 177 : 3 =
996 : 4 min 384 : 3 =
1. Een metselaar verdient eiken dag 2 gulden en
35 cent. In 2 dagen verdient hij dus cent. In
3 dagen cent.
2. Als een ei 3 cent kost, dan kosten 245 eieren cent.
3. Als in eiken korf 175 peren zijn, dan zijn in 4 kor-
ven peren.
4. Een boer koopt 2 koeien en 2 schapen. Elke koe
kost 225 gulden en elk schaap 65 gulden. Samen kos-
ten de 2 koeien en 2 schapen dus
5. Als elke prent 4 cent kost, dan kosten 192 prenten
cent.
6. Aan eiken kant van een weg staan 438 boomen.
Aan beide kanten staan dus boomen.
7. 165 koeien en 170 ganzen hebben samen pooten.