Boekgegevens
Titel: Nieuw rekenboek voor de lagere scholen
Deel: Tweede stukje
Auteur: Boeser, A.L.
Uitgave: Amsterdam: A. Hoogenboom, 1876
13e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1937
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200328
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw rekenboek voor de lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
26
de vorigen. Zeg eens, hoe groot de som was, die
zij te verdeelen hadden.
132. Een boer heeft in zeker jaar 372,5 mud tarwe
geoogst en 0,75 maal zooveel rogge. De tarwe
heeft hij verkocht tegen 10,50 gl. de mud en de
rogge tegen 6,40 gl. Hoeveel heeft hij voor al dat
koren ontvangen?
133. Een koopman gaat naar de markt en heeft op ander-
derhal ven rijksdaalder na 975 gulden bij zich. Hij
geeft van zija geld eerst zevenmaal 't vijftiende deel
uit en koopt voor 't geen hij overhield boter van
1,60 gl, het pond. Hoeveel pond heeft hij daarvoor
kunnen koopen?
134. Van 1582,60 gl. heeft iemand uitgegeven 75 dui-
zendste deelen, en later nog 15 honderdste deelen.
Hoeveel heeft hij overgehouden?
135. Hoeveel heeft iemand moeten betalen voor 628,8
K.G. van zekere waar, als hij vroeger tegen den-
zelfden prijs 0,6 van 2,5 rijksdaalder heeft gegeven
voor 8 kilogram ?
136. Een koopman heeft 105 mud rogge en 105 mud
6 schepel tarwe gekocht, te zamen voor 1680 gul-
den. Voor de rogge hééft hij 45 honderdste deelen
van dat geld betaald; reken nu eens uit, van wel-
ken prijs de tarwe per mud is geweest.
137. Een vat boter kost 54 gulden en een kaas van 12
kilogram kost 5,40 gl. Bereken eens, hoeveel men
naar dien prijs zou moeten betalen voor 975 K.G.
boter en 275 kazen van 9 K.G. 't stuk.
138. Hoeveel is: 1,5 — 0,25 — (2,5 X 0,025) minder
dan: (1 — 0,025) X 0,25 : 0,008?