Boekgegevens
Titel: Binnen en buiten.: Leesboek voor een afdeeling der middelste klasse
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Nijmegen: P.J. Milborn, 1894 *
Neerbosch: Stoomdrukkerij der Weesinrichting
2e dr; 1e dr.: 1889
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1815
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200275
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Binnen en buiten.: Leesboek voor een afdeeling der middelste klasse
Vorige scan Volgende scanScanned page
76
ook weieens een bekken, om de menschen oplettend
te maken. Op elke plaats is haast weer wat anders.
Onze omroeper heet Hein. Hoe hij nog meer heet,
weet ik niet, ze zeggen altijd maar Hein den omroeper
tegen hem of ook wel eens: „Hein met de bel." Hein
verkoopt graag grapjes. Als hij om moet roepen,
dat er tong op den afslag te koop is, steekt hij altijd
zijn tong uit en trekt er een heel raar gezicht bij. Hij
begint dan: Er is van morgen — dan wacht hij even —
om 10 uur — dan wacht hij weer en kijkt eens rond —■
ik zeg om 10 uur — weer wachten — op den afslag
te koop — lekkere .... en dan steekt hij zijn tong
uit, zoover als hij maar kan. Die nu maar centjes heeft!
roept hij dan nog achteraan en loopt meteen naar een
andere plaats, waar hij weer zoo iets doet.
Soms begint hij heel deftig. Hij schelt en hij schelt
nog eens, maar er komt niemand. Nu, dat kan hem
niet veel schelen. Dan buigt hij diep en roept: Heeren
en Dames! Nog eens: Heeren en Dames! — Er is van
morgen ____en dan gaat hij zoo zijn gang maar weer.
Hein roept van allerlei dingen rond. Als er wat ge-
vonden en ook als er wat verloren is. Als iemand een
knecht of een meid noodig heeft. Als er een schip met
appels, aardappels of steenkolen aangekomen is. Als
•er visch verkocht wordt. En zoo allerlei dingen.
Als er wat verloren is, roept hij eerst, wat het is
en dan zegt hij: Die 't gevonden heeft — brengt het
bij Hein — die zal een goede belooning hebben. Dan
wijst hij meteen op zichzelf. Misschien denkt hij wel: