Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— iii —
Neen, nimmer! Moclit ons liarf zijn weldaad met u deolon,
En geven 'l recht u weer, waar van gy affland dccdl,
Hebreeuwen, 'tzou de ziel van eiken Christen ftreelen,
En 't aardrijk bad voor ons geen voorwerp meer van Iccd.
O Broedren! maar (belaas) den Vader afgevallen!
Verloren! maar nogihands des vromen Abrams bloed!
Keert lot uw erfgoed wcêr! Keert, fchapcn, in uw ftalicn,
Keert, eer de nacht verfchijn', dc nachtwolf moorde en woed'!
Zuil ge immer over de aard uw drukkend jammer flecpen,
En, Volk, geen Volk meer zijn ? Vertrapt, verfchopt, vertrcèn !
Ja, met verachtelijk vee in 't zelfde juk benepen, (*)
Uw' liaatren dienen, prooi van woeftc onmenschlijkhcen!
In 't midden van een Volk, en van hun afgefcheiden
Door de onhercenbre kloof van uw geduchte Wel,
Wal kunt ge? In stil geween op dien Verlosser beiden,
Die Davids thi 'oon herflcll', en 'l Heidnenrot verpletl'.
Uampzaalgen, is 't dan nu, dat gy dien Redder wacbtc]i,
Nu, dat gy hopen moogt dat u zijn arm bevrij'?
Ziet, ziet een reeks Ic rug van zestig Voorgcflachten!
Dat tijdperk was beftemd voor zijne heerfchappy.
Dc fchepler was vervreemd, die Judaas ftam behoorde,
En de afval was verzoend: 't beloofde licht brak aan!
Gy zaagt den Morgenftraal, die door de nevels boorde,
Gy zaagt den heldren dag, verrukkend opgegaan.
Het zalig Bethlehem onlfangt den Held, den Koning,
Uit maagdelyken fchoot, uit Davids eedlen tronk.
En gy, aan 't oog verflaafd, aan ijdle prachlvertooning,
Verwerpt het dierbaar hoofd, waarom geen tulband blonk.
Neen, 't was geen diadeem die d' eedlen fchcdel drukte;
Neen, maar Gods Almacht zelv doorftraalde 't fchoon gelaat;
(*) Om te weten, wat dit zeggen wil, moet men Dnilsch-
land doorreisd hebben.