Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— ()2 —
Geen Kngcl die Gods raad begrijpt,
'li Zou, in mijn mijmering verloren,
O teedre pandtjens, ging ik voort,
D niet dan onzin laten hooren,
Die beter is in 't hart getmoord.
God kent de loopbaan onzer dagen ,
En paalt haar met zijn vinger aC.
Onwraakbaar is zijn welbehagen:
Ook ons geleidt Hy naar het graf.
U bad ik van den God van 't leven,
O lief, O onvergeelbaar kroost!
En 'k heb u fehreiend weergegeven,
Maar in uw zaligheid getroost.
Zoo doe ik, ja; zoo doen wy beiden;
Zoo doen wy willig, dierbre Gal
Hard valt het, van zijn bloed te fcheiden,
Maar ook dat fcheiden is gena.
Nog flechts een handvol bange dagen,
En Jezus fchenkt het ons weérom.
Hem immers was het opgedragen:
Hy borg het in zijn heiligdom.
O lieve! zalig is ons lijden!
Ja deze tranen zijn ons zoet!
Hetgeen men Jezus toe mocht wijden,
Is eeuwig onverliesbaar goed.
1805.