Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
^ m —
wroeging kunnende voortbrengen. — Welaan dan, haar in Jo-
zeis armen geworpen! — Gaarne! maar dit gaat niet toe, zon-
der dat haar licht met Potifar verbroken wordt. Zal de goede
hals dan zoo maar van haar afzien? »Zy heeft myn* Haaf liever
dan ujy : welnu —! »valeat, aveat, vivat cum Ulo!» — Dan
mocht by wel zijn, 'tgeen de Grickfche Overzetters hem ma-
ken.— Niets anders derhalve dan de onoverkomelijke zedelijke
zwarigheid van geboorte kon bier te ftade komen. Deze wettigt
cn haren onbedwingbaren afkeer van ccnc bloedfchandigc Echt,
cn hare Liefde tol Jozef en rechtvaardigt (indien ik 'L dus noe-
men mag) die Voorzienigheid, die in de dichterwareld behoort
voor Ic zillen; die deze in den eersten fchijn zoo onreedlijkc
cn noodlottige Liefde Ier verhoeding van een gruwel oniftoken
heelt. Van den aanvang af, was ook alles daar toe voorbereid.
Men zie Couplet zeven. Haar geboorte derhalve moet ontdekt
worden; cn lot die onldekking moet hy aangevoerd worden,
die zc doen en des meisjens flaatsvcrandcring oplosfen kan.
Oude vocdflcrs, ringen, moedervlekken en gclijkfoorligchulpmid-
delen komen overal niet te pas, zoo min als dc i)ews ea? »lac/tma.
De Koran van Mahomed heeft my in de Sura ('t Kapittel)
van ^ozef, zoo zy genoemd wordt, den trek van de teekens
in den achtergelaten' mantel van achteren, opgeleverd, 't Is
den Oosterlingen eigen, in de rechtsplegingen byzondcr op
dergelijke teekens te letten, en ze na te fporen. Duizend zeer
aangename cn zeer leerzame voorbeelden waren hier van by
te brengen. Dc gefchiedenisfen zoo wel als de verdichtfels dier
landen zijn er meé doorzaaid. Dil heeft my hel eerst op het
denkbeeld van een openbaar en Koninklijk onderzoek gebracht,
't geen de fchoone (die by my aan geene eerloozc onbefchaamd-
heid fchuldig kon zijn) in het uiterfle van een doodlijkc wan-
hoop moest ftorlen, die aanleiding lol de ontwikkeling geeft.
Zegt men nu: »maar dit treedt builen het charader \ai\
de Komance;" ik kan het niet helpen. Ieder make zich van