Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 189 —
beelden, met die waarheid gevoeld en erkend beeft wat Dicht-
kunst zij): te vergeefs zegt Lesfing aan Lezers en Toefchouwers
van Dicht- en Tooneelftukken: »Weet niets, wanneer gy my
»opflaal of mijn gordijn op ziet trekken; weet niets, dan het
»geen ik u leeren, hetgeen ik u toonen, voor den geest of voor
)i »oogen stellen zal. Mijn Dichtftuk is eene afgezonderde, eene
ji »op zich-zelve beftaande wareld, waar meê gy de uwe niet
J »vermengen moet. Eene wareld van verbeelding, die ik u voor
j »fcheppe om ze met my door te zweven, en er het genoegen
»in te fmaken, dat hare toovery uwe verbeelding, uw hart, en
»uwe zintuigen, aanbiedt. O verwoest, ó vernietig 't u niet, door
»er iels in le brengen, dat alles in duigen doet vallen, of in
»rook en nevel verdwijnen! Vraag niet meer, vraag niet an-
»ders, dan wat ik u geel!"—Te vergeefs zegt hy dil. Een be-
kende Gebeurtenis, die zich in den geest heeft geprent, heeft
er dien indruk, dien plooi in nagelaten, dat men zich niet be-
vredigen laai met haar ten halve le lalen zitten. — »Gy ver-
4 »toont my Eneas met zijnen Vader in de armen, gy Schilder.
J »0 toon my het brandende Troje toch in het verfchiet. Dil be-
I »hoort daar by."—Het behoort tot do Gefchiedenis, maar niet
I tot mijn Tafereel. Vergenoeg u mcl de tederheid van Eneas,
I met de drifl om zijn dierbaren Vader te redden, uil zijn oogen,
zijn houding, uit het klemmen van zijn hem omvatlende armen
I uit zijn trillende kniën en zich met gefpannen vezels bewegende
voeten, uil zijn van de onrust, angst, en verlegenheid bewe-
; gen<len wenkbraauw en voorhoofd te lezen: zie zijn borst van
I verlangen naar zekerheid hijgen; van genoegen, hel vuur en
! den vijand met zijnen onfchatbaren last onlfnapt te zijn, klop-
pen; en op zijn zich oopende lippen de geloften zweven, die
hy aan dc Godheid, befchermfier der Godvrucht, toemurmelt.
Zie op de bleeke wang van Anchifes den Iraan der geredde en
bulplooze zwakheid; in zijn oog den dank der behoudenis; en
dc trotsheid van 'l Vaderlijk hart dat juicht in de deugd van