Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 186 —
Ik zwijg van de gloeiende Epizoden — ik neem dit woord
in dien zin niet als de Iledendaagrelte Dichters, of liever zoo-
genaamde Dichtkundigen, liet gebruiken, voor tusfchengebeur-
tenisfen die ecu ftuk rekken, of, zoo men wil, opfieren; dit
eigenlijk lot geene andere kunst dan die van protraclion o{ spin-
ning behooren, gelijk Fuslian de Pocet by Fielding het noemt.
Die daar toevlucht toe nemen moet, was nooit een waarachtig
Dichter. Neen, ik fpreek van verdichtfelen, in den draad der
gefchiedenis ingewrocht, die de onlknooping zoo zeer als de
verwarring uitwerken, en van wie de ecrfle derwijze afhangt,
dat zy zonder die niet mooglijk zou zijn. Ik zwijg, zeg ik, van
den rijkdom der gloeiende Epizoden, die deze eenvoudige fa-
menlrekking moest opleveren. Ik zwijg van de verheven Ma-
chine, die dus alles vervullen, doorwoelen, en heiligen zou.
O die in dc gloeiende warmte der jeugd, en zijn harl niet
Hechts gevoelende, maar doorkropen hebbende, verrijkt met
de noodige Oudheidkunde en Dichterlijke kracht, zich aan zulk
een heldendicht overgeven mocht! Heerlijker onderwerp is
nooit uitgedacht: belangrijker, Dichlerlijker, verhevener, (mits
men het recht vatte) ja waardiger aan de Hemelfche Engelen,
en aan de voor God, voor onfchuld, en liefde blakende Jon-
gelingfchap, die er het beeld van is, kan er niel zijn. Ik fpreek
hier van een Helden-, dat is een menfchengedicht; niet van
Lofzangen , voor wie God en Heiland voorwerpen zijn. Van
een Heldendicht, dat een' mensch, en wel eenen mensch als
voorwerp van Gods Voorzienigheid, vordert. Doch het is bier
de plaats niel om dit nader uil te halen. Ook ten aanzien van
dit punt heerseht nog een zeer groote duisterheid in hel The-
orelifche. Balleux is veellicht de eenige die er iets in gezien
heeft; maar hy zag te weinig om anderen te doen zien wathy
zag, en het geen Marmontel ons voor Heldendicht opdischt,
(het zij zonder vergelijking gezegd) is bel Kalf van Jerobeam
voor de Schefchina van den Heiligen Tempel in de plaats gefteld.