Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 183 -
Aanmerkingen over de romance Assenede,
Velen zal misfchien de naam van assenede vreemd zijn. Onze
tegenwoordige Bijbelvertaling noemt de Dochter van Potifar,
Jozefs Gemalinne (naar den llebreeuwfchen text) Asnoth; de
zeventig Overzetters, gevolgd van de Vulgata der B. Kerke,
drukken die met Azeneth uil; Luther heeft Asnath, de Engcl-
fche, gewoonlijke Franfche, en de Italiaanfche vertaling door
Diodati fchrijven Afenalh of Afmat, en zoo doen ook Junius
en Tremellius in bet Latijn. Doch onze oudfte llollandfcbe
Schrijvers, den Griekfchcn naam naar den aart onzer Taal
verzachtende, hebben haar in vroeger tijden dien van Asfenede
gegeven, onder welken zy, zoo by Maerlant, in den Spiegel
llistoriaal, als elders, wordt ingevoerd. Deze naam is dus by
ons gewettigd, zoo wel als welluidend en vloeiende.
In Potifars wijf een leder belang te doen nemen, was der
Dichtkunst waardig; en Mozes Gcfchiedcnis, zoo hatelijk zy baar
ook voorftelt, levert er alles toe op wat noodig is. Ilct is zeer
onzeker, of de Potifar, Ovcrfle van On, wiens Dochler aan
Jozef, in zijne verheffing, gehuwd werd, dezelfde zij met den
Potifar, FaraöOs Bovelinq en Over fle der Trauwanten, vfien dc
Grickfchen (met wat recht laat ik ter hunner verantwoording)
Tov guvoO;^ov noemen, zekerlijk om dat zy ten hunnen tijde de
Egyplitchc Vorften van Gefnedenen omringd, en de voornaamfle
waardigheden len Hove, door dezen bekleed zagen; waardoor
veellicht Kamerling en Gefneden aldaar lot fynonyma waren
geworden. Dil, zeg ik, is geheel onzeker; maar de Dichter heeft
rccht, in de duifternis der onzekerheid dat te grijpen, waar