Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 182 —
Ach! *teen verdiende ik niet dat gy my af zoudt vragen:
Het ander is voor u een nutloos onderpand.
Waar afkomst, eer, en plichl, waar hart en inborst fpreken
Daar verg* men aan de pen geen borgtocht voor 't gemoet
By andren voer' zy 't woord, waar eer en deugd ontbreken;
Geen fchrift verbindt ons 't hart, maar 't Ouderlijke bloec
1804.
By mijn Afbeeldsel.
'k Zocht Wijsheid,'k vond ze niet. 'k Dacht Wetenfchap tcgaüre
En troostte me, in den drang van 't Letterbeldendom.
Wat won ik? Ydle praal van lletfche lauwerblaaren,
Luidklinkend handgeklap, en fmaakloos lofgebrom!
Dit kon geen hart voldoen van zijn beflemming zeker,
En veel te groot voor Haaf van 't waanziek algemeen:
God zag hel: de Onfcliuld leed, Hy, riep my tol haar Wrekei
't Gejuich verkeerde in vloek, maar'k vond mijn harl te vreér
1786.
Grafschrift voor My-zelven,
Ga, Wandlaar! 'k Verg geen' traan op mijn ontzield gebeent':
Gezegendst is mijn rust, zoo niemand haar beweent.
1786.