Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 178 —
Laster,
Confcia mens ree li famae mendacia ridet,
ovidius,
»Laat lastreii ai wat wil, bezwaren, en bezwaddren!
»De Onnoozelbeid blijft fchoon, hoe zeer men haar beklad
»Geen giftig llangenfpog van duizend fijfflende adderen,
»Geen opgeworpen vlek, heeft op heur reinheid vat.
»Ze is veilig voor 't geweld, en fchootvrij voor de fchichten
»Die haat of onverftand in H blinde vliegen doet."
Zoo doet zyt De Onfchuld, ja, blijft Onfebuld by 't betichten
Maar 't treft dc rust v,an 't hart, de vrede van 'tgemoed!
1805.
1805.
Wel varen en Welvaart,
*t Uoogfte goed is wel te varen ,
Wel hem, die bel mag bewaren!
Welvaart is een tweede fchat.
Welvaart, zonder wel te varen,
Is een ijdel goed vergaren,
O hoe weinig fmaak beeft dat!
Maar mijn welvaart is vervaren.
En welvarend zijn, daar by.
Wee ó wee mijn grijzen hairen! -
Hoe ik verder nu moog varen,
O boe weinig raakt bet my!