Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 171 —
Op 't door zijn dienst bevruchte land.
Hy leerde flelen, liegen, rooven,
En eer en lust en deugd en welzijn af te ftaan:
Voor 't zitten by den Duitfehen oven
Zijn Ga en K.inders te verraön.
Zijn vuist beftond den ftoel der Dichtkust aan te randen.
En bluschte gloed en vonk in 's Dichters aadren uit,
Oni met 't bezwaarde hoofd te zitten in de handen.
Met naauwlijks kruipend bloed en kwijnende ingewanden.
Geborsten en verkrompen luit.
Ach! H vinkjen moog bekoorlijk zingen,
Moog dartel door zijn kooitjen fpringen.
De kachel neemt het lucht cn klank !
Het zwijgt, het kwijnt, het flaat aan H hijgen,
Om ftraks in onmacht néér te zijgen;
Daar ligt het, ademloos en krank!
Hy dwingt ons in dit land zoo vol afgrijslijkheden
Te fterven van de kou, wanneer de ziekte ons boeit.
Of in een lucht, verpest zoo gruwzaam als hun zeden.
Te flikken, en verflapt van herfens, hoofd, en leden,
Tc dorren als een blad, dat in de zon verfchroeit.
O Slubenkleur (*)! ó meer dan de ijslijkfle aller kwalen.
Veel gruwbrer dan de Hel nog ooit op 't aardrijk zond.
Die in zoo fchrikbaar korte flond
(*) Stube noemt men elke kamer, met een kachel, die bui-
ten H vertrek geftookt wordl, verwarmd. De uitwerkfels van
deze by de Duitfehers zoo geliefkoosde en tol eene onmatige
hoogte gedreven warmte, loonen zich bij hen-zelven veelal
in 'tgeen zy de Stubonfarbe noemen, dat is de kleur die bet
zitten in de Stube veroorzaakt. Doch ook met het minste vuur
is de Stube onlijdelijk voor alle vreemde, en verwoestend voor
alle licbaamgeftel.