Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 151 —
't Minfte windljen dringt den vloed
Dier verderflijkfie aller dampen,
Door de flappe huid, in 't bloed,
En verwekt een zee van rampen.
H Kruid verkweelt er zonder fap.
En verhardt van fpier en vezel;
't Ooft ontaart van eigenfehap:
Zelfs de buffel wordl lot ezel.
Rielfcheut ftrekt voor klavergras:
H Slachtvee kwijnt in ftal en weiden:
De oogst is enkel misgewas,
Om lot beeftenflroo te fpreiden.
Winter duurt en neemt geen end':
Uondsdaghitle volgt zijn plagen:
En die ftaal maakt op de Lcnl',
Wacht lol aan het eind der dagen.
Ieder dooi brengt kranken voort;
Ieder vorstjen brengt ze weder:
Ieder zonneftraal vermoordt;
Ieder windljen werpt u neder.
Lacht de morgen nu of dan;
Schijnt een blijde dag tc ontglooren;
Middag neemt er affcheid van.
En hy zal in nevels fmooren.
Gure buien, vochtig weêr.
Zonnehitte, niel le lijden,
Wisflen immer, keer Ean keer.
Zonder onderfcheid van tijden.