Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 144 —
Ouderdom,
Ja, dal's een oude klacht, dat muur- en ftedenlloopen!
Dat ijzeren gehil, dat alle ding vermaalt!
Die vleugels van den Tijd, die niemand achterhaalt!
Die feis, die menfchen maait hy hoopen.
Als koren op het veld! Dal's eenmaal zoo bepaald.
Dil wist ik lang voorheen: geen duizend Koningshoven,
Geen Babel met zijn praal en pracht:
De beenders van mijn Voorgeflacht,
Tot flof en asch vergaan, en in den wind verfloven,
Verloonen my den Tijd, en tuigen van zijn kracht.
Ook dacht ik duizendmaal: Wal vroeger of wat later.
Ik ook, ik ga den weg, dien alles in moet, heen.
En, prooi van dezen menfchcnbaler,
Verdor ik als het gras op 'l hooiland afgefneén.
Nu goed! men troost zich dat. Wy dienen plaats te mak
Voor andren; cn, gewis, indien men 't wel befchouwt,
Dees herberg is voor ons allcenig niet gebouwd.
Vervordren we onze reis om eenmaal t'huis te raken!
Dit roept ons alles toe, wy najien of wy waken.
Een ander vraagt ons bed, met leuningflocl en disch:
De kamer is verzegd en onze lijd verfireken: —
In Gods naam! elk zijn beurt! wy dienen op te breken;
Ik zie niet, als ik 'toverrcken.
Dat daar iets op te zeggen is.
Te recht. Heer Waard! te recht! Ik moet, en 'k wil vertrekk*
Mijn huur is om; de tijd te rekken
Ware onrecht, onrecht in der daad: —
Maar — voor den tijd die daar loe flaat,
My telkens als ik flaap te wekken,