Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 142 —
Twee Grijzaarts, van de jeugd ter vischvangst opgebracht.
Die in 'l gevlochten dak by flormende onweersnacht
Hun dorre legerkoels van wier en bladen fpreidden.
En leunende aan den wand den morgenftond verbeidden,
Begonnen, half in flaap, dit droomig bedgefprek.
Bondom hen), op den grond van 't enge flaapvertrek.
Lag al het tuig door een, waar meê hun vlijt zich voedde,
Als zetkorf, fchakelnet, cn riet, en angelroede.
Met koord en garen, grom en zeegras, boel, en fuik,
En oude vleetfchuit, lek, en niet meer van fgebruik.
Hun hoofd rustte op een mat, een party oude huiden
En kleeders op het lijf, maar weinig van beduiden.
Dit was hun armoed; dit, geheel hun overdaad.
De kommer lag er U huis en was hun trouwfte maat.
Geen aarden pot of pan was in de kluis te vinden,
Geen ketel; zelfs geen klos om 't garen op te winden;
Slechts enkle ftokken nog, ter drooging van het want.
En eene holtsblok voor de traanlamp als zy brandt.
Geen buur was daaromtrent. Van 't zeefchuim ovcrdolven,
Stond de arme leemen hut te fchudden in de golven.
Wie kon er flapen in dit fchriklijk zeegedruisch!—
Hoor, makker, zei Fileet, hoe davert heel ons huis!
Wat zijn toch zee en wind twee fchrikkelijke dingen:
Ons bed (met rots en al) fchijnt met ons op te fpringen.
Wat moeten torens doen met zulk een fpitsen top!
Die fteken in de lucht nog vrij wat hooger op.
Ik weet niet, hoe een mensch zich in zoo'n ftad durft wage
BATTUS.
Och, alles went men zich. Die van zijn kindfche dagen
Al d'onvoeg van de flad beproefd heeft, jaar aan jaar.
Die denkt, geloof my vrij, niet eenmaal aan 't gevaar,
En weet niel, hoe gerust wy in ons ftulpjen leven.