Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 140 —
Zekerlijk, men flooft en zweet er,
Van den aanvang tot liet end;
En te wenfehen naar wat beter,
Is den menseh in 't hart geprent,
'k Ben, by al die aartigbeden
Toch maar kwalijk half Ie vreden
Met bet leven op deze aard;
Mag ik dus volmaakter hopen,
O geheel mijn hart vliegt opent
O dat is my alles waard!
Dan, een fpook met lange beenen
Ziet my lelijk in 't gezicht.
En draait allijd om my henen,
Naar wat kanten ik my richt.
Alles vat hy by de kluiven.
En by draait, als waren 't duiven.
Wie hy grijpt, den gorgel om,
O by zal my zeer verbinden.
Die my 't middel weet te vinden,
Hoe ik aan zijn vuist ontkom'.
Nog een ding! — Voor 'tbengeltrekken.
Daar de fchuit meé af moet gaan,
Loopen wy als dronken gekken
In dit veerhuis af en aan.
Schopt my de een niet voor dc fcbecnen,
De ander trapt my op de teenen.
Of hy hort my tegen 't lijf:
Die wéér, fcheurt mijn kleed aan flarden;
Ja bet is niet uit te harden.
Zoo ik hier nog langer blijf.