Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 138 —
My dien fchoonen beker roemen;
Ik, ik dronk bem dien pokaal!
Ik, ik -weet, wat wreede zorgen
In die wellust zijn verborgen
Die zijn eerlte teug ons geeft!
'k Heb in maag en ingewanden
'tZuur vol feherple voelen branden,
't Geen zijn zoelheid in zich heeftl
'k Ken de naweón van die teugen.
Die een oogcnblik verheugen;
'k Heb hunn' nafmaak in den mond
En mocht me iemand in dit lijden.
Van den laatften drop bevrijden,
O dat waar een blijde ftond!
1h05.
De drie Wenschen.
Quae caelum refcret, mortem fuget, aspera vincat,
Felici currat tramite, dUce viam,
Sanctüs Orïentiüs.
't Is op aarde wel te wezen.
Ja, waarom niet? taamlijk wel!
'k Heb wel zoo gehoord, gelezen:
't Is een louter Kermisfpcl.
Lachen, vrolijk zijn, en flapen,
Of naar zoete klucbljens gapen
Van een' bonten Harlekijn;
Of de Doctors op 't theater
Aan te hooren met gefchater;
Ja, dat moet al potOg zijn.