Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 134 —
Een kusjen waagt hy op die wangen,
Een kusjen van onnoozie min !
Maar 't darlle Bietjen is gevangen;
Zy klemt het met haar blaadljens in.
Daar woelt, daar worftelt hy in 't prangen
Dier geurige, dier malfche fchoot.
En zwijmt van wellust en verlangen,
En blijft in bare omhelzing dood.
Maar neen! hy zal verrukt ontwaken.
En puurt den honig uit haar hart.
Wat kan zy, dan gelukkig maken,
Wien ze in dien zuivren boezem fpart.
Rijs, Bietjen, rep uw blijde vlerken!
Verhef u! tuimel door de lucht;
Zweef over thijm en hof bloemperken,
Nog minnedronken in uw vlucht!
Stort, ftort het geen gy zoets mocht gaderen,
O ftort het in uw korfjen uit!
En gy, 6 Roosjen, fluit uw bladeren,
Gy, lieve, minnelijke bruid !
Maar ach! de wellust is genoten ;
Dc maagdelijke fchoot bevrucht.
Het doel waar voor ge waart ontfprolen,
Bereikt, 6 Roosjen! Zucht, ó zucht!
Nu gaat uw bladerkroon verdorren:
Nu hangt zy by uw' ftengel af:
Nu zal geen Bietjen om u fnorren:
Nu helt, nu zijt ge rijp voor 't graf.