Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 127 — '
Geen murmelend geruiseh van Pindus zilvrcn flroomen,
Noch luwend myrlhenbosch, van Dichterlijke droomen
Doorwemeld, geen gekweel van 'Izangrig Negental
Volftaal hier. Laat mijn' geest met loulren hemelval,
Gy, Geest, die Amos zoon voor 's Iloogften zetel voerde,
En zijn gewijde tong met heilig vuur beroerde!
Roer ook de mijne, roer mijne aardfche lippen aan!
Ja, Serafs, leert mijn hand uw gouden harpen flaan!
Men hoore! De eedle Bard, van Godlijk vuur aan 't blaken,
En aan zich-zelv' ontrukt, vangt aan. De heemlen kraken!
De toekomst opent zich voor zijn verwonderd oog!
Ecn Maagd, dus klinkl zijn zang, bezwangerd van omhoog,
fcen Maagd zal baren, zal ecn' zoon, een jongske baren.
)e tronk van Izaï, ontbloot van tak en blaaren, (*)
chict van zijn' dorren flam een vruchtbaar rankjcn uit,
W'ior knopjcn aan 't ilcelal zijn bloefemgeur ontfluit.
)e Geest der Godheid zal zijn bladerkroon doorwaaien,
n om het frisfehe groen de breede wieken zwaaien:
e Duif des Hemels zet zich neder op zijn' top.
c Ilccmlen druipen er ecn' daauw van ncktarop.
'e wolken fproeien 't met een groeizame ochtcndregen.
et aardrijk opent zich en lacht zijn wasdom tegen,
i^crkwikking ftort zijn loof op 'tafgemalle hart, (§)
n heilrijk balfemvocht voor 's onderdrukten fmart.
Biedt koele fchaduw aan voor 't hcele middaggloedcn,
n veilig overdek voor ftormige onwecrvloedcn:
n fchuilplaats voor 't geweld, waar ftillc onnoozelheid
ich moede en afgefoold ter fluimring nederleit.
e misdaad is niet meer! de aaloude fchuld geweken.
(*) Jezaias XI: 1. (f) Jezaias XL: 8. (g) Jezaias XXY: 4.