Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 32 —
Zoo fpreekl, zoo denkt uw hart, en welt een zucht naar bover
Die mooglijk...! Maar ó neen, de Satan hoort die zucht,
En (iddert, dat ge alreeds aan zijne boei ontvlucht.
Hoe, zegt hy! hebt ge om niet uw hooggeroemde reden
Als de eenge waarheidsbron en toetsfteen aangebeden.
En, fier op eigen licht, op eigen deugd en kracht,
De dood, en, in de dood, eene eeuwigheid veracht?
En zou in 't eind de ftem van 't overtuigd geweten
Uw' hoogmoed meefter zijn? Neen, leg het aan de keten!
Verdruk bet! Dring 'tu op, dat God geen wandaan haat.
En luister naar geen hart dat van de wroeging flaat!
't Is Jezus naam alleen, die 't zoet vergalt van 't leven!
Hy is 't, die in de rust het moedigst hart doet beven!
Hy, die wie hem ontfangt een zeekre redding biedt,
Doet met dit enkle woord zijns vijands hoop te niet.
Neem Jezus Godsdienst weg, de vrees is weggenomen!
Heel 'I menschdom ftaat gelijk, de fnoden met de vromen.
Het kwaad moge eeuwig zijn of voor een oogenblik.
Wat allen treffen moet, is 't voorwerp van geen'fchrik.
Zie daar uw ware troost, wen de angflen u befpringen!
Uw lot is 't zeker lot van alle ftervelingen.
Ga, draaf vrijmoedig door; belach der Christnen hoop:
Tot dezen prijs-alleen is al uw rust te koop.
Die ze eert en niel bezit, is van de troost verlaten:
God haat dien, leer ook Hem in zijn aanbiddren halen!
Zie daar der Duivlen taal! Dees nam uw' boezem in.
Van daar die dolheid ook, die, meefter van uw' zin,
(Indien ge 't Oechts vermocht) een' leer tracht uit te roeien,
Die, als ge zelf erkent, de reinfte deugd doet bloeien.
Des aardrijks zegen is, en *s menschdoms heil op aard.
En wat den naafte treft, ons eigen leed verklaart.
Hoe! 'k doe aan andren niet dan wal mijn hart zich wenschte