Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 109 — '
Eens deedt ge een jachtgefehenk aan de eedle Jageres;
Waar meé ze aan Peneus flroom onfterflijke eer behaalde.
En Proeris, zy, wier pij! zijn voorwerp nimmer faalde!
Vlet Antieléa, die u dierbaar was als 't licht.
En nooit uw zij' verliet noch week uit uw gezicht.
Die beiden droegen 'teerst den rechter arm in 'tjagen
Ontbloot, met de open borst, en 'tjachtkleed opgellagen.
Sog minde uw maagdlijk hart de Arcadifche Atalant',
Die, vliegendfnel te voet, en vaardig met de band,
Van u de jachlfpriet leerde en pijl en boog hanteeren,
En heel ecn llcldenftoet verwinnend mocht braveeren.
Daar 't fchrikbre reuzenhoofd van 't Ralydoniseh zwijn
Haar zegeleeken wierd en eeuwige eer zal zijn.
Want immers Rhecus noch Hyléus, boe onlfteken,
Durft in den ijzrcn nacht die glorie wederfpreken.
Door 't dartle bloed befchaamd, dat uit hun beupen vloeit.
En Menalus gebergt als offer heeft befprocid.
Wie haalt de menigte der Tempels, wie de fledcn
En heiligdommen op waar gy wordt aangebeden!
Wie de offergaven, en de dankbre Kerktuigpracht,
Van Oost- en Avondftond uw Godheid toegebracht!
Geduchtfle! 's aardrijks kreits is vol van uwe altaren.
Uw Mogendheid regeert de flormen en de baren!
U heeft der Vorften Vorst die't Griekfche heir gebood
De roerpen van zijn kiel geheiligd voor zijn vloot,
Wanneer gy, gram te moé, de winden hield gebonden,
En duizend kielen faam als onbeweeglijk ftonden.
Ach! vruchtloos blaakte 'lal van wraak en oorlogsmoed!
Den roover van Hcleen befchermde lucht en vloed.
Uaar neen, gy wordt vermurwd, de wind is losgebroken,
llet eerloos Trojc valt, en de Echtbreuk wordt gewroken T