Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 107 — '
En duld dat hinde en haas langs berg en heide zwiert!
Wat nadeel toeh doen deze aan de arme ftervelingen ?
Maak dat ze u nevens my als hnn bevrijdl'ter zingen!
IVrf evers, wier gebit door oogst en wijnberg wroet!
Tref flieren! dat's een jaeht, die eer aan Goden doet!" —
Zoo fpreekt hy, en verllindt uw vangst alreeds met de oogen.
Want, heeft hem 't Frygiseh vuur de fterflijkheid onttogen,
Nog duurt die honger voort in 't vratige ingewand,
Die 't zwoegend rund verleerde op 't hallgeploegde land.
Nu fpant uw dienstbre ftoet uw hinden van den wagen.
En arbeidt om haar ,ftroo cn voeder aan te dragen:
liet wceldrig klavergras, op Junoos veld gemaaid,
En niet dan voor 't gefpan van Jupiter gezaaid!
Dan ziet men ze, uit een macht van gouden walerpullcn,
Met altijd zuivrc bron de gouden kribben vullen,
En drenken 'l fchoon gediert' en wasfchen 't van zijn zweet.
Terwijl ge in flaallijkheid de Feestzaal binnen treedt,
Daar 'lal u welkom roept en plaats biedt als om ftrijde.
Maar gy uw' zetel kiest aan God Apolloos zijde.
Doch als de Nymfen in 'l Eolisch Pitané,
Op Limnes liellijk ftrand (want dit behoort u meê).
Of aan Inopus bron, al danfcnde om u zwieren;
Of als ge, wars van 'l bloed der Schylifche offerftiercn,
D'Eurotas weêr bezoekt, waar hy zijn kruik onlfchiet.
Dan klief mijn rundervee het dorflend braakland niet!
Dan keerde 't,, zoo 't gareel hunn' forfchcn nek moesl knellen.
Wat vuur en aadrenkracht hun fpicren mocht doen zwellen,
Vermast, cn hangends hoofds, en met geknakte kniên.
Van d'arbeid, builen ftaat zich 'l juk w cêi* aan te biên.
Want immer ftaart de Zon van zijn' omflraalden wagen
Dien fchoonen Feeslrei aan met nooitverzaad behagen.