Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 10(i —
De proef der zilveren boog, waar op ge uw pijlen fpant? —
Eerst naamt ge een' Olm ten doel; toen, een'der rijzige Eikei
Toen liet ge uw fchrikbre fchicht geen boomen meer bereiker
Maar dreeft haar door een flad met roof en moord vcrvulc
Uampzaalgen, die uw wraak doet boeten voor hun fchuld!
De pest verflindt hun vee; de hagel, oogst en granen:
Den grijze ontvalt zijn kroost, en hy verfmoort in tranen:
De vrouwen ftcrven weg in gruwbren barensnood.
Of, vluchtend, ftort de vrucht ontijdig uit heur' fchoot.
Niels, of 'tvergaat en kwijnt in jammer en ellende!
Maar zalig, waar gy ooit een lachend oog op wendde!
Hun akker fchiet een zee van vruchtbare airen op :
Hun flacht- en lastvee groeit: hun rijkdom ftijgt in top:
En 't graf verzwelgt hen niet dan moê en zal van dagen:
Geen Tweedracht zwaait haar toorts, bevrucht met Helfche plager
Noch floot den grondvest om der Slaalsverbintenis:
Maar de Eendracht ftrooil gebloeml'op bed en vriendendiscl
Onlzachbre! zij dit lot het mijne! Geef, Godinne,
Uw' Dichter zulk een heil, en wie hem waarlijk minne!
Onlfteek mijn Geestdrift mcl uw Godheid! Geef, ai geef,
Dat Febus, dat Latone, in mijn gezangen leef!
En leer me uw' jachtftoet, boog, en ftaatdewagen malen,
Waarop ge in 'I Godenbof u juichende in ziel halen.
Daar Febus 'twild, uw buit, en 's Hemels Hofhcraut
Uw wapens aanneemt, en uw' voel den beugel houdt.
Doch neen, Alcidcs heeft thands Febus post vervangen,
En houdt aan d'ingang wacht, om uwe vracht te onlfangci
't Vervrolijkt Godendom ziet lachende op den held,
Wen hy een' forfchen flier door uwe boog geveld.
Of bloedend everzwijn, die nog naar adem hijgen,
Uy de achlerpolen heft, en u, in 't nederflijgen,
Met diepen ernst vermaant: »Dood fchaadlijk boschgediert'.