Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 105 — '
Ja, levende by Hoor voor 'smeefters voeten fcheurt.
Nog zeven, fterk van reuk, en fneller dan de winden,
Om de oninhaalbre haas en naauwvervolgbre hinden
Te volgen, en het fpoor der fchichlige gazell'
Te ontdekken in haar vlucht door fteengruis en ftruwel,
Of 't leger van het hert al fnulïlend op te ftooten.—
Thands gingt gy (met die gift, aan Hjachtzeel vastgcfloten)
Naar Parrhafus gebergt', aan welks begraasden voet
De dartle hinde weidt, omtrent Anaurus vloed.
Voorlrcflijk fchoone foorl, waar runders by verzinken!
Wier hoornen, rijk gelakt, met gouden luifter blinken!
Gy ziet ze, en voelt uw borst in gloed en vlammen flaan:
Zie daar eene eerfte vangst, wel waardig aanDiaan!
Vijf waren er byeen. Op vleugels van 't verlangen
Vliegt ge ijlings op haar af. Daar zijn er vier gevangen.
Én levende in uw hand, voor uw karos beftemd.
De vijfde, die in de angst den Landflroom overzwemt,
Ontfnapt door Junoos hulp, om op Cerynus heuvelen.
Als Herkies laatfle roem, door zijnen arm te fncuvelen.
O Maagdlijke Artemis! Diane! .lachlgodes!
Goud is uw gordel; goud, uw trolfche pronkkales!
Goud zijn de teugels van uw goudgelakle hinden I
De flrcngen zijn van goud, die haar in 'tjuk verbinden!
Maar waar, waar voerde u 'teerst 'tgehorende gareel? —
Naar ilemus koud gebergt', waar de altijd fchorre keel
Des woeflen Boreas de wouden doet verdorren,
En fneeuw- en hagelbui door 'tneevlig luchtruim fnorren.-
Waar fneedt ge u-zelv den pijn tot deze uw fakkel af;
En waar, waar naamt ge 't vuur dat haar de ontvlamming gaf?-
'tWas op d'Olympus. Daar, daar hebt gy ze in bet gloeien
Van 't ecuwig vuur gedoopt, waar uil de blikfems vloeien.-
En hoe, hoe dikwerf nam uw nog onzeckre hand