Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 404 — '
Het kleene Godentroost weérftaat dien affchrik niet,
Wen 'lal te weeldrig kind de moeder niel ontziet.
En zy den Titan roept. Dan kooml, met roet beftreken.
Merkuur-zelf, als Cykloop, van door een wolkmuur breken.
En buldert dal het dreunt. Flux beeft het arme wieht.
En febuilt in moeders fchoot, de handen voor 't gezicht.
Maar gy, veel jonger nog, van fchrik noch angst bewogen.
(Want naauwlijks hadt gy nog uw derde jaar volloogen.
Daar ge op Latones arm, gedrongen door Vulkaan-
Aan wien zy 't kraamgefchenk beducht was af te flaan,
In deze fmisf' gebracht, die monfters zaagt en kuste)
Wen Bronles u omhelsde en op zijn kniën bulfte,
Zaagt met een' darllen lach zijn* borfteligen huid.
En trokl hem op de borst een ganlfche hairvlok uit.
Die ge aan uw moeder toonde, en als een zegepandijcn
Om hoog hieft. Bronles draagt van 't fpeelziek kinderhandtje
Dat teeken eeuwig in den kalen boezemplek.
En koos geen Koningskroon voor de eer van dit gebrek.
Gy fpreekl hen moedig aan, hel werkhol ingetreden:
»Cyclopen! wilt me een' boog, een' Kreetfehen jachlboog fmedei
Met pijlen, en een bus, die 't fchutgeweer befluil!
Wanl 'k ben, als Febus is, Latonaas eigen fpruit.
Zoo dra ik op mijn jacht een ever neer zal vellen,
De buil zal dc uwe zijn." — De nijvre Titans fnellen
Ten arbeid, laten 'lal, cn waapnen u terftond.
ISu vliegt ge om brak en wind-, en wolf-, en tijgerhond.
En flreeft naar 'l hol van Pan. Juist zat hij, moé van fpelcr
't Geweide van een linx zijn' honden uit te deelen.
De Boksvoet fchenkt u flraks twxe brakken, bont gevlekt;
Drie doggen, breed van muil, en tijgerlijk beplekt:
Vier andren, fchoon van fial, van de uitgezochtfte rasfen:
Een' van gemengeld foorl, den lijger-zelv' gewasfen.
Die leeuwen nedcrwerpt en by de manen fleurt,