Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 102 — '
En flechts eene enkle flad die op mijnc outers fmook't
Want 'k leef flechts voor 't gebergt, en haat der fteden roo
En dan bezoeke ik flechts heur dichtgebouwde wanden.
Wanneer my 't krijtend w cc dat zwangere aan koomt rand(
Ter hulp en redding vergt. Want immers lei my 't lot
Dien plicht van deernis op naar H hooge Schrikgebod,
Dat d'onbevlekten fchoot der moeder die my baarde,
De fmart van H kinderwee by hare ontbinding fpaarde." —
Dus fpraakt ge, en reikte in drift, ó minnelijke fpruit,
Naar 's Vaders broeden baard uw tedere armtjens uit.
Vergeefs! — Een lieve lach verfierde uw rozenwangen.
Uw Vader drukt ze aan U hart, van 'tteórst gevoel bevange
»0 (roept hy) één zoo lief, één zoo aandoenlijk wicht!
En wat is me al de fpijt op Junoos gram gezicht!
Mijn Dochter, ja, ó ja, gy zult niet vruchtloos vragen:
Ik fchenke u heel uw bcé. Ga, leef naar welbehagen!
Maar 'k fchenke u meerder, 'k Sta, voor één, eene enkele fta
U dertig fteden toe, op wal en torens prat!
Ja, dertig fleden, die geene andre Godsaltaren
Dan de uwen, eeren, en uw outerdienst bewaren:
Al, pronkend met uw' naam. Ik fchenke u boven dien
Op eilandkust of 't land, al wat ge wilt gebiên.
'tZal alles, t'uwer eer, met bosch en heiligdommen
Vervuld zijn; knie aan knie zich voor uwe outers kromme
En weg en haven u als heur Befchermgodin
Erkennen; en geen perk fluit uwe glorie in!" —
Zoo fprak hy, en een wenk met d' achtbren fehedel ftaaf
Zijn gift— Nu vloogt ge heen, ó fchoonfte en rijkstbegaafd
Waar 'tRrctifche gcbergt, met bosch aan bosch bezet,
In Nereus wijde kil zijn hinden drijft te wed.
Ku zocht gy d' Oceaan in H midden van zijn plasfcn.