Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 100 —
Terwijl zy 't ondier trof, dat ftal noch kooi verfchoonde;
(Zijn bruid, llypzéus telg, de aanminnige Cyreen,
Heurs Vaders arm ontroofd!) hy wenkt hen iandwaart heer
En zetelt ze, en bekroont bun nieuwgeftichte muren
Met gaven, heerlijker dan een' der Nageburen.
Geen Godheid is zoo dier aan Battus nagetlacht!
Zingt, Dichters, zingt zijn gunst! zy evenaart zijn macht!
lö, io, iö, doe 't blijde Péan hooren!
Dien zoeten zegefchreeuw, op Delfos grond geboren,
Wen uw nog leedre band Permesfus wangedrocht
Met pijl op pijl beftookte, en 't harl des monfters zocht.
Toen fchrceuwde 't juichend volk by't vliegen uwer fchichte
»Schiet, Péan! nog een' pijl, en doe het ondier zwichten!
Gy, 'saardrijks redder! gy, tol 'smenschdomsheil gebaard!
Schiet, Péan! fchiel nog eens, en 't monficr ligt ter aard!»-
Sints wordt u 't Péan, finls hel io aangeheven!
Zingt, Dichters, laat uw' toon door luchten wolken ftreve
Zingt! Dat uw lofgalm klink', en als een zeeftorm ruiscb'!
Apol geen Lofzang, die met mindre volheid bruisch'!
Maar Febus! dal de Eufraat zijn' grootfchen vloed verbreed
Onzuiver rolt zijn flroom en voert zijn grondllib mede.
En Ceres Prielteres veracht zijn drabbig nat
Voor heldre en frisfehe bron ten keisteen uitgefpat.
Dit plengt ze, als 'teêifte vocht, dit heiligt zy d'altaren!
Ontfang gy ook den toon van onze zwakker fnarcnl
O FebusI zie hem aan die ze u ten Lofzang wijdt!
En barfle wien 'tgelust, van radelooze fpijt!
1803.