Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 30 -
Verzachten, kan H uw trots, uw'ijdlen hoogmoed ftrcelcn.
Zoo duizenden met u in uwe eilende deelen.
En zoo gy, met den vloek dier duizenden belaan.
De ontzachüjke eeuwigheid des Jammers in moogt gaan?
Ach! Jezus leer is liefde; en tot zijn' leer te dwingen
Is 'twerk van Christnen niet maar gruwzame aterlingen;
Doch zoo een Christen ooit, door Jezus vrijgekocht.
Den vijand zijner hoop ter Kerkdienst drijven mocht.
Zijn doel was zielsbehoud en redding uit de kaken
Des afgronds, broederzucht, en eindloos zalig maken.
Maar gy, Verblinden, wat beoogt gy, fpreekt, ó fpreekt,
Die Christnen van de hoop op hun behoudt verfteekt?
Zy dwalen? 'tZij eens zool Hebt eerbied voor die dwaling:
Zy is 'tdie hen vertroost by de uiterfte ademhaling.
Door wien hun al 'lverdriet des levens wordt vergoed.
En die hun 't hart vervult met deugd, en liefde, en moed!
Zy dwalen! Zalig zy, die dus onfchuldig dwalen!
Geen waarheid die gc erkent kan by die doling halen!
Die dwaling, zoo ge in 't hart een' waren God gelooft.
Vereert Hem, en zy wordt nooit ftrafloos hun ontroofd.
Hoe! God ftelt, volgens u, geen' prijs op Hem te kennen;
Hy laat ons in den blinde, als door een' doolhof rennen;
Hy openbaart zich Hechts door 'tenkle redenlicht;
En 't ftoort Hem, wat men denkt, noch wat men ook verricht.
Hy eischt, hij hoeft geen ftraf. — Wat ftaat my dan te vreezen.
Hoe zal mijn dwaalgeloof dien God aanftootelijk wezen?
Hy, die Bramin, die Bons, Druied, en Gaurer duldt.
Voor Hem is Fetisdienst en Vuurdienst zonder fchuld:
Hy neemt de dienst van Thor^ van duizend valfcbe Goden,
Toegeeflijk, gunftig aan, zoo wel als Turk en Joden:
En is 'tde Christen dan (hy zij eens even blind!)
Wiens dwalen ftrafbaar is, en geen verfchooning vindt?