Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
- <K) -
Als raaf, dc zanden in, der Lyhiaanfche kusl;
En, Volksgelcidcr, gaf liun veiligheid cn rust,
En zwoer, 't bebouwde Land ons V'orftcnkroost tc fchenken.
Woord hield hy! Zou Apol zijn heilige eeden krenken!
O Febus, dat u dc aard met duizend nameii noem'!
Zij RIaros, Sminlhion, uw allcrhoogfle roem!
5Iy zijt ge K.arnes God. Van daar is 't dat wy fproten.
Op Spartes grond verplant door een van Radmus loten;
Uit Sparte op Theres Kust iu beter Vaderland;
Uit There, in uw gelei', naar 't Cyrencesche flrand.
Hier deed u 't Funicsch kroost zijne outervieren branden;
En fleldc u feesten in cn jaarlijkschc offerbanden.
Waar in het Sticrcnblocd by volle flroomen vloeit,
lö, iö den God, wicn Rarnes myrrhc bloeit!
Zingt, Dichters, leert den God van Fenix afkomst roemen!
Uwe outers zijn omkransd met duizenden van bloemen.
Die 't Lcntclucbljcn teelt als de aarde zich onlfluit;
En Winler liert hen op met geurig heidekruid
En riekende faffraan. Uw outervlammcn kraken
Onbluschbaar, en geene asch verdooft haar onder 't blaken.
Zingt, Dichtren, zingt den God omkranst met lauwerblaan!
Hoe lonkte uw Godlijk oog den blijden Fecstrei aan.
Wanneer 't geharnast kroost uit Radmus runderweide
De brnine Lybiane om 't vlammende outcr leidde.
En opvoerde aan de hand ten Vaderlijken dans!
Geen Feest, geen Offerfeest had immer zulk een' glans.
Nog was geen Dorier lol Cyres bron genaderd.
Nog flonden ze in dc fchaauw van 't dichte woudgebladcrt',
Waar 't boschrijk Azilis zijn velden mee bedekt;
Wanneer de ontzacbbre God, tot deernis opgewekt,
Hen, van Myrtuzaas fpits, aan zijn Geliefde loonde.