Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 97 -
lö! men zinge Apol, en fiddre voor zijn kracht!
Zing, Zangchoor, zing Apol! Met de edelfte aller gaven
Beloont hy *t. Hy, de fcfints, de toevlucht aller braven!
Hy, aan de rechterband gezeteld van Jupijn!
Zingt, Dichters, laat zijn roem uw hoogfte wellust zijn!
llijk is die zangftof, voor geen ftervling te voldingen!
't Is licht, Apol — 't is licht, zijn glorie op te zingen.
Geen dag omvat haar: ze is een bron die eindloos vliet.
Steeds bruischt en opwelt, en langs bloemwaranden fchiet.
De Cyther is van goud in zijne albasten handen,
Zijn mantel ftaat in 't goud met gouden gloed te branden,
En is met gouden gesp ten fchouder opgehaakt.
Goud is de forfche boog, die hem ontzachlijk maakt.
De koker is van goud, die aan zijn fchouder wappert.
Waar in de fchrikbre pijl ontzett'lijk ruist en klappert.
En de ijsfclijke dood by eiken voetstap zucht,
(Of 't waar) zijn kerker moê en bakende naar lucht.
Goud zijn zijn brozen, goud, met gouden riemfnoerboten
Om 't levend elpenbeen van 't fpiclitig been gefloten:
En tot de voetzool zelfs blinkt heel zijn dosch in Hgoud:
Ja, heel zijn Tempel fchijnt uit louter goud gebouwd!
Eene eindelooze Jeugd verfiert zijn frisfche kaken
En eeuwigfchoon gelaat, van bruifchend bloed aan 't blaken.
Nooit heeft hem 't zachte dons der eerfte Jonglingsvlok
De gladde cn teedre wang befchaduwd met heur lok.
t Is nardus, 'lis amoom, waar van zijn vlechten vloeien:
Seen, nardus noch amoom, die zy op U aardrijk fprocicn;
'' daar vlietende ambrozijn, die waar zy dc aarde kust.
De Volken zaligt, en de Helfche kwalen bluscht.
Wie, Febus, kan u ooit in kunstroem evenaren!
^an u is 't dat de toon van Luit en Cytherfnaren
De harten overftelpt in H ziclverfmeltend lied!
W. BILDERÜYK. XX. 7