Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 96 -
Lofzang aan Apollo.
VRIJE NAVOLGING VAN CALLIMACIIUS.
Hoe fehudt de Lauwertak in Febus rechterhand!
Hoe, 't ganlfche heiligdom! Gewelf en Tempelwand,
Aan *t daavren, dreigen van verbaasdheid op te fcheuren!
Aanfchouwt gy 't? Febus-zelf trapt bonzende op de deure
En post en dorpel fchokt van 't ftampen van zijn* voet.
Slaat af, flaat fiddrend af, ó ongewijde ftoet!
Ja, Delos Palmboom knikt, door wind noch lucht bcwog(
Van d'eerbied voor den God ter aarde neergebogen:
De zangerige zwaan ftort hemelmelody:
Wijk, llagbooml grendels wijkt! de Godheid is naby!
Bereidt u om het Lied der Feeslrij aan te vangen;
Gy, Knapen: Febus naakt, het voorwerp onzer zangen!
Wat toeft ge, o tempeljeugd? Daar Febus nader treedt,
Daar zij de Cylher, daar de Cymbelfnaar gereed!
Geen harp, geen fpeelluig ruslM geen tripplcnde ommegang
Zoo moge u de Echtkoets eens in 't heilig bed onlfangen!
Zoo pronke uw voorhoofd met der Grijsheid zilvren kroon
Klinkt, Cythers, klinkt ter eer van Vrouw Latones Zoon!
Men zwijg'! de Lofzang rijst. De ftormwind-zelf leert zwijg
Waar Febus naam en roem op galmende Echoos ftijgen.
Zelfs Thelis, Thetis flaakt, wanneer zy 't Péan hoorl.
Het Moederlijk helaas, dat nacht noch daglicht fmoori:
Ja, zelfs de marmerfteen in 'tLand der Frygianen,
(Eer Moeder!) fchort den loop van 't drupplen van heur Iran
Al blijft haar de open mond vertrokken van de klacht,
lö! iö, men zing', men roem' Apolloos macht!
't Valt hard, aan Koningen, aan Goden, fpits te bieden.
Rampzalig, wie 't beflaat! zijn ramp is niet te ontvlieden.
Dit tuig' de fchrikbre val van Tantalus geflacht!