Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 77 — '
»Wel nu dan, Vader, als 't moet zijn.
Vaarwel, en leef gezond!
En kus mijn Moeder goeden dag;
ik reis de wareld rond!"
Daar gaat hy, knoopt zijn' neusdoek'om.
En haalt het zeil om hoog.
En, wip! daar vliegt zijn vloot in zee.
Den Vader uit het oog!
TWEEDE ZANG.
In Spanje kwam de vloot te land,
Blen dronk er zoete most;
Doch Uohhert vond het daar te heet,
En vijgen flechte kost.
Ook reisde hy dc landftreek door.
De ftroomen op en af;
Maar niemand was er zoo beleefd.
Die hem een Graaffchap gaf.
»Och, zei hy tot een' Moorfchen Prins,
ik kom zoo verr' van daan:
Ei lieve, doe my dat pleizier.
Uw Kijk my af te ftaan!" —
»jMijn Rijk? dat boude ik, zei de Vorst,
Van God en van mijn zwaard.
En 'k fta het (ja, by Mahomed!)
Niet af dan met mijn' baard,"' —
»Wel nu, is dat de zwarigheid.
Dan zijn wy aanftonds klaar,