Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
1
- 75 —
Zijn Vader had een zwak voor hem,
Maar 't gaf liem menig kruis.
Nu dacht hy: Beier verr' van hand,
Dan al tc na hy huis.
Hy rust een knappe Krijgsvloot toe.
Zoo neljens als een pop.
En lakelt cn bemant ze wel.
En zet dien Zoon daar op.
»Hoor, Jongen, zei de grijze paai,
Gy moet eens in den wind:
Gy zijt nu reeds een Jongeling,
En geen onnoozel kind.
»Gy hebt, zoo dunkt my, lang genoeg
Gezeten op de kruk.
Ga henen nu, en vlieg eens uit:
Licht maakt gy uw geluk.
»De Wareld is zoo uilgeftrekt.
Daar moet nog ruimte zijn;
Zie dat gy aan een plekjen raakt.
Waar van ge zegt: clafs mijn.
»Daar zijn nog kusten onbezet;
Ga, zoek ze met uw viool:
En vindt ge 't nergens leeg genoeg.
Sla hier of daar wat dood.
»Ik had u graag een' Graaf of zoo,
(Maar niel te dichte by')
Of Koning, of zoo'n ander ding,
liet zij dan wat het zij.